De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 246
De Vrije Universiteit van 1905 tot 1955, een halve eeuw geestesgeschiedenis van een civitas academica.
stellingen inzake Ie. het voortbestaan, de onsterfelijkheid en de
substantialiteit van de ziel, en 2e. de vereniging van de beide
naturen van Christus. Deze stellingen wensten zij in een conferentie
op 4 april met hen te bespreken in aanwezigheid van de
hoogleraren Aalders, Anema, Grosheide, Rutgers en Woltjer.
Van de ingeleverde stelhngen citeer ik het belangrijkste deel
van die van Hepp, omdat zijn standpunt nog niet eerder werd
omschreven.
II. Van de vroegste tijden af is het de orthodoxe leer in de christelijke
kerk geweest en is zij expressis verbis, deels indirect vastgelegd, dat de
mensch bestaat uit een onsterfelijke substantieele ziel en een sterfelijk
substantieel lichaam.
III. Wie van de waarheid sub. II in eenig opzicht afwijkt, wijkt af van
de Gereformeerde confessie en daarmee van Gods Woord, waarop de
confessie is gebaseerd, tenzij hij in den kerkelijken weg aantoont dat de
confessie in deze de Heilige Schrift op onjuiste wijze tot uitdrukking
brengt en een waarlijk Gereformeerde Synode dat toestemt en de
confessie hiernaar wijzigt.
Op de conferentie van 4 april gaven VoUenhoven, Dooyeweerd en
Hepp een toelichting bij hun stellingen. Grosheide, Aalders en
Woltjer namen aan de discussie deel. Curatoren besloten daarop de
discussie over te laten aan de professorenkring. Aan Directeuren
deelden zij mee 'dat de moeilijkheden te dezer zake voor een deel
ontstaan zijn doordat bij publicatie van eigen gevoelen te weinig
voorafgaand overleg is gepleegd met collega's.' Ze hoopten de zaak
daarmee afgedaan te hebben. Met de publikatie van deze conclusie
door Directeuren in het VU-blad van mei 1938 had de VU de
beschuldigingen gereduceerd tot een professoren-ruzie.
Maar nu kwam de Theologische Faculteit in het geweer. De
faculteit ging zich over de colleges van VoUenhoven beklagen. Op 7
maart 1938 vroegen Curatoren hem op welke wijze hij aan het
bezwaar tegemoet kon komen. Aan Curatoren was namelijk 'ter
oore gekomen dat verschillende leden der theologische faculteit het
bij hun onderwijs gevoelen als een moeilijkheid dat hun studenten
niet voldoende op de hoogte zijn gesteld van de Aristotelische
logica.' Op 20 april werd dit nader toegelicht. Het betrof 'te
geringe kennis van a. de syllogismen, b. het logische oordeel, c. de
conclusie a minori ad maius, en d. de vereischten voor het bewijs.'
240
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's