Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 271

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 271

De Vrije Universiteit van 1905 tot 1955, een halve eeuw geestesgeschiedenis van een civitas academica.

2 minuten leestijd

Er bestaat in werkelijkheid slechts één principieele caesuur, d.i. die

tusschen heel het tijdelijk bestaan en zijn boven-tijdelijken religieuzen

wortel, een caesuur die bij den tijdelijken dood van den mensch in

werking treedt.

Eenvoudig, ondeelbaar en onvergankelijk blijft de ziel als transcendent

geestelijk religieus centrum van het menschelijk bestaan, dat heel het

Uchaam in zijn tijdelijke structuur be-zielt en het menschelijk karakter

opdrukt.

Hier immers schrijft Dooyeweerd zelf over 'de schriftuurlijke

dichotomie', over een principiële caesuur en over de eenvoudige,

ondeelbare en onvergankelijke ziel. Met de dood eindigt de huidige

orde en volgt een caesuur in de tijdsorde, waar het boven-tijdelijke

hart reeds heen reikt. Het karakter van boven-tijdelijk werd in de

jaren 1936 tot 1940 bovendien door het woord 'aevum' aangegeven.

In 1940 wordt Dooyeweerd zich bewust dat het woord 'aevum' sinds

de laat-Romeinse wijsgeer Boëthius als 'een soort tusschentoestand'

tussen tijd en eeuwigheid werd opgevat en zo door de scholastiek

overgenomen. In zijn strijd tegen de scholastiek in de

gereformeerde theologie probeerde Dooyeweerd alle theologie uit

zijn filosofie te weren, maar hij is toch niet geheel vrij gebleven van

de wedergeboorteleer van A. Kuyper en ook niet geheel vrij van

het boven-tijdelijke als een toestand of zijns-bereik.

De vraag naar een scholastieke lijn bij Dooyeweerd werd in de

Amerikaanse dissertatie van Peter J. Steen aan de orde gesteld.

Deze dissertatie werd in het VU-proefschrift van W.J. Ouweneel

bestreden, zonder alle vragen op te lossen. De problematiek

speelde vooral rond de tijdsfilosofie van Dooyeweerd in de

besproken periode. Tot slot van dit hoofdstuk ga ik er daarom nog

iets dieper op in.

In 1936 en 1940 werkte Dooyeweerd zijn tijdsfilosofie verder uit.

Daarbij valt op dat de eerste zin van Dooyeweerd over het

tijdsprobleem een verwijzing naar Heidegger bevat. Hij schreef:

'Het tijdsprobleem is door de wijsbegeerte van meetaf in betrekking

gebracht met het probleem in zake het wezen der realiteit, het zijn

des zijnde.' Dat is de vraagstelling van het eerste hoofdstuk van Sein

und Zeit van Heidegger.

Dit 'zijn des zijnde' of de structuur van het bestaande naar zijn

wetszijde en subjectszijde, noemt Dooyeweerd een tijdstructuur. Een

265

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987

Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's

De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 271

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987

Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's