De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 273
De Vrije Universiteit van 1905 tot 1955, een halve eeuw geestesgeschiedenis van een civitas academica.
element in het denken van Dooyeweerd kunnen zijn. Een element
dat herinnert aan de natuurmystiek in de romantische jeugd-
gedichten van Dooyeweerd. Die natuurmystiek spreekt al uit de
titels van die gedichten, zoals 'Zielevrede', 'Harmonie', 'O, ziel
gedenk', 'Avond' en uit de titel 'Lachneia (een sproke)'. Ook met
een dergelijk mystiek-romantisch element zou Vollenhoven het
beslist oneens zijn. Immers, de verbondsopvatting van Vollenhoven
was niet mystiek van aard. Vollenhoven bestreed de mystiek, zowel
de zogenoemde christelijke als de on-bijbelse mystiek. Hij meende
dat in alle mystiek een element zat van het eigenmachtig reiken van
de mens naar het boven-creatuurlijke. In de religie was volgens hem
alleen een antwoord op Gods verbonds-openbaring, in gebed en
lofprijzing, legitiem.
Maar de vraag bleef onbeantwoord of Dooyeweerd met het
boven-tijdelijke hart een scholastiek zijns-bereik of een mystieke
richting wilde aangeven. Hij legde zich er in zijn nota niet op vast,
en omdat het hier theologie betrof, wilde hij er niet nader op
ingaan. Hij had de theologen leren kennen en wenste op grond van
die ervaring geen theologie te bedrijven. Maar ook daardoor bleven
vragen onbeantwoord, waarop Vollenhoven wel een antwoord
trachtte te geven.
Bij Vollenhoven vinden we dat de schepping in en met de tijd
werd geschapen. Ook de hemel, waarover Dooyeweerd geen enkele
wijsgerige uitspraak wilde doen, behoort volgens Vollenhoven tot de
geschapen werkelijkheid in de tijd. Op grond van de bijbel meende
Vollenhoven wel over de engelen, de dienaren van Satan, hemel en
hel iets te kunnen zeggen. Boven-tijdelijk wil bij Vollenhoven alleen
een richting aangeven, waarover slechts iets te zeggen is nadat God
de mens heeft geopenbaard dat de gehele schepping in de tijd is en
Hij daarin de mens opzoekt. De mens kan zich dan in zijn gebed
tot God richten, en in het verbond gaat God mee in de tijd voor
altijd. Alleen in het gebed en de lofprijzing van God ziet
Vollenhoven iets boven-tijdelijks uitgaande van het hart, maar dan
als antwoord op openbaring en dus niet mystiek in de zin van
eigenmachtig grijpen naar het goddelijke.
De opdracht van VU-curatoren aan een commissie om nader het
vraagstuk te bestuderen van 'ziel en lichaam', kwam erop neer dat
een formule inzake de 'onsterfelijke ziel' gevonden moest worden,
waarin zich Waterink, Hepp, Vollenhoven en Dooyeweerd konden
267
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's