De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 200
De Vrije Universiteit van 1905 tot 1955, een halve eeuw geestesgeschiedenis van een civitas academica.
was doop. Daar sprak Waterink volgens Vollenhoven 'individualis-
tisch en piëtistisch' over. Toen ook de preek 'subjectivistisch' begon,
stond de rector van de VU op, verliet de kerk, üep vertoornd naar
huis en schreef een brief aan Janse:
Waarde Vriend,
't Is Zondagavond -'k ben niet gewoon dan te schrijven. Want wanneer 'k
niet moe ben ga 'k dan eerst naar de Keizersgracht en vervolgens besteden
we den avond aan onze Amsterdamsche kennissen. Ook straks moeten we
op bezoek
Maar thans ben 'k thuis, thuisgekomen vóór de kerk uit was. 'k Was naar
W. gegaan, hij preekte in de Keizersgracht en 'k wou geen aanstoot geven
door weg te blijven. Maar 'k ben wèg-geloopen.
Vollenhoven bracht geen aanklacht in en bestreed Waterink ook
niet publiek. Vooreerst kwam het nog niet tot een conflict, maar
Waterink werd van andere zijde wel aangevallen. Toen in 1932 een
tweede druk van zijn De Oorsprong en het Wezen van de Ziel
verscheen, schreef T. Hoekstra, hoogleraar te Kampen, daar
breedvoerig over in het G.T.T. Waterink knipte volgens Hoekstra
de ziel in twee delen, in ziel en geest. Hij ging, volgens Hoekstra,
van de dierenziel uit om de mensenziel te begrijpen. En na de
dood bezat die onsterfelijke geest van Waterink geen associatie en
herinnering, omdat hij die eigenschappen aan de lagere ziel
toeschreef.
In een lang artikel over De oorsprong der ziel verdedigde
Waterink zich in het G.T.T. Hij wilde de persoon als geestelijke
kern en niet als een derde substantie naast het Uchaam en de ziel
opvatten. Hij wilde met A. Kuyper dichotomist blijven. Daarom
voerde hij het onderscheid tussen potentie en act van Aristoteles en
de scholastiek in. De menselijke natuur met ziel en hchaam was de
potentie en het 'ik' de functie, de 'act' of kern, het richtende
principe, of toch ook de 'substantie' of drager. 'Gaan we nu
onderscheiden', schreef Waterink, 'dan zullen we steeds, als we
spreken van de functie in onderscheiding van den inhoud, de
functie primair moeten toekennen aan het "ik", terwijl de inhouden
psychisch georiënteerd zijn.'
Waterink, die bij de studenten de roep had dat hij moeilijke
zaken steeds te eenvoudig voorstelde, raakte hier verstrikt in een
mixtum van filosofische, theologische en psychologische termen, die
wel zeer geleerd leken, maar niet van een helder inzicht blijk
194
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's