Dr. Abraham Kuyper en de Vrije Universiteit - pagina 129
vend is, deze mijne meening heb ik dikwerf geuit, altijd zóó dat
ik van alle beschuldigers achter Uwen rug mij trachtte vrij te hou-
den. Ik heb dat aan mijn zoon, zoover ik weet (want ik herinner
mij de bewoordingen niet) niet krasser gezegd dan aan anderen.
Ik moet daarbij blijven.
Dat No. 2 desniettemin bestaat, is een van die vele zonderlinge
en pijnlijke raadselen van 't menschelijk hart, waaromtrent het
mij niet voegt, te oordeelen. Hem schreef ik om mijn leedwezen
over den dood zijns beminden Vader te betuigen, evenzeer
oprecht. Gij wilt, zoo zie ik uit Uwen heden ontvangen brief, de-
zen laatsten band niet meer, en noemt dit, dat ik hem verbreek.
Dit laatste is onjuist. Maar ik mag er mij niet door laten influen-
ceeren. Ik zal U gansch evenzoo blijven beoordeelen en behande-
len, als vroeger.
Dat is: Op Uwe openbare bestrijding, wegens de opinie die ik
over U als publicist heb, niet antwoorden, en alleen als gij een
rechtstreekse vraag tot mij richt, het antwoord geven dat de be-
hoorlijke achting (dien men ook, als men zijn eigen zondig hart
kent, den oneerlijke gevoelt schuldig te zijn) vordert.
En voorts, den broeder blijven liefhebben ook al meent hij dat
dit met het eerste niet samengaat /'moeielijk is het zeker, doch het
is noodig.V en al meent hij dus, te moeten afbreken.
Met dezelfde besliste beoordeeling van den publicist, als welke
gij sedert jaren van mij kent, en met hetzelfde gevoel voor \], als
waarmee ik jaren geleden in Uw binnenkamer met U Gods aange-
zicht zocht, en het in de mijne voor U blijf doen, teeken ik nu
Uwen broeder J.H. Gunning Jr. 's Hage 18 Dec. 1882.'
Op diezelfde dinsdag, 18 december, begroef Kuyper zijn vader en hield
Gunning zijn inaugurele oratie. In die rede werd de VU niet genoemd,
maar de synode blokkeerde door de afspraak bij het instellen van deze
leerstoel wel de kerkelijke vooruitzichten van de VU-studenten.
Kuypers vader was bang om levend begraven te worden. Daarom was
de begrafenis een week uitgesteld. Kuyper zei bij het graf, dat hij 'den
reuk des doods in zijn neus opgevangen en geroken had'. Toen hij oud
was geworden en hardhorend, schreef hij aan een vriend: 'En dan die
bange schim van mijn vader, die op mijn leeftijd reeds stokdoof en
daarbij stekeblind was.' Zo zag Kuyper in die jaren voor de Doleantie,
ook de synode: in geestelijke zaken stokdoof en stekeblind.
Kuyper wilde de door Gunning gesignaleerde oneerlijkheid bewezen
hebben. Toen Gunning echter over onbewuste oneerlijkheid begon,
moest deze het inmiddels publiek geworden steekspel wel verliezen. Het
125
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 374 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 374 Pagina's