De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 229
De Vrije Universiteit van 1905 tot 1955, een halve eeuw geestesgeschiedenis van een civitas academica.
Begin 1937 verscheen een opmerkelijk artikel van Berkouwer in De
Standaard. Op 19 januari besprak hij het derde boek van De
Wijsbegeerte der Wetsidee en wees daarbij op een 'raadselachtig
hoofdstuk'. Het ging over het laatste hoofdstuk, het 'Besluit' van
drie bladzijden, met de ondertitel: 'De plaats van den mensch in
den kosmos als eigenlijk grondthema van de Wijsbegeerte der
Wetsidee'. Maar dat was niet het grondthema van het boek met die
naam.
In dat korte besluit merkte Dooyeweerd op dat de conceptie
van lichaam en ziel, of van lichaam, ziel en geest, principieel
onbruikbaar was. En ook dat de 'alzijdige tijdelijke existentie' van
de mens slechts vanuit het 'boven-tijdeUjke religieuze centrum', de
'ziel' of het 'hart' in de zin van de Schrift, te verstaan zou zijn.
Berkouwer vroeg nu 'of het niet juister geweest ware dit grond-
thema een andere plaats te geven in den opbouw van het geheel.
Dan was het ook mogelijk geweest den samenhang tusschen de leer
der wetskringen en de anthropologie in deze wijsbegeerte duide-
lijker te zien.' Dooyeweerd had nameUjk geschreven:
Wel staat op ons standpunt reedis thans vast, dat de tijdelijke
menschelijke existentie niet in twee of drie abstracte functiecomplexen
(onder den naam 'lichaam', 'ziel' en 'geest') kan worden uiteengelegd,
omdat wij hebben ingezien, dat zulke theoretische abstracties met de
tijdelijke structuren der individualiteit zelve in botsing komen en in
wezen op een hypostaseering van geïsoleerde juncties berusten.
Daarmede is ook het probleem in zake de tijdelijke verhouding van
'ziel' (als complex der psychische en logische functies) en 'lichaam', in
den zin van afzonderlijke 'substanties', als zelfgeschapen schijn-probleem
der immanentie-philosophie onderkend, gelijk ik te zijner tijd bij de
verdere ontwikkeling van de Wijsbegeerte der Wetsidee uitvoerig hoop
aan te toonen.
Enerzijds moest Dooyeweerd voorzichtig zijn, anderzijds was hij nog
niet gereed met de conceptie van het hart, dat geen substantiële
ziel en geen bundeling van functies kon zijn, en dat volgens hem
'boventijdelijk' was. Berkouwer noemde daarbij het punt in geding:
'Het blijft o.i. een van de meest belangwekkende feiten in verband
met de wijsbegeerte der wetsidee, dat ze in de lijn van Dr. Kuyper
wil voortbouwen, het door hem ontwikkelde beginsel van de
souvereiniteit in eigen kring nader wil uitwerken en toch kennelijk
komt tot een andere anthropologie.'
223
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's