De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 263
De Vrije Universiteit van 1905 tot 1955, een halve eeuw geestesgeschiedenis van een civitas academica.
"eigenlyk een scheiding (zou) moeten aanbrengen tusschen tydelyke en
boven-tydelyke harten".
De nota's van VoUenhoven en Dooyeweerd bleven tot voor kort
onbesproken in het archief van de VU-curatoren liggen. Alleen dat
deel waarin Dooyeweerd van VoUenhoven verschilde, heb ik
overgenomen. Door de orde van de wetskringen als een tijdsorde
op te vatten, had Dooyeweerd een daar bovenuit gaand
Archimedisch punt nodig. In zijn wetenschapsopvatting was
datzelfde punt nodig als verbindingspunt tussen het logisch inzicht
en de wetskring van een bepaald vakgebied. Wetenschappelijke
kennis bestond bij hem uit de verbinding tussen logisch inzicht en
vakgebied. Dat hogere standpunt was niet in het logische inzicht of
de rede te vinden, want dat was onderdeel van hetgeen tegenover
elkaar geplaatst werd. Niet door de rede maar door het boven-
tijdehjke hart was de verbinding tussen logisch inzicht en vakgebied
mogelijk. Of volgens de formulering van Dooyeweerd: 'De theoreti-
sche analyse voor-onderstelt echter de volle ik-heid of zelfheid, van
welke deze abstractie-werkzaamheid uitgaat.'
Indien dit punt niet was te vinden in een neutrale rede of de
Vernunft, en wel in de volle ikheid, dan was dit uitgangspunt niet
onbevooroordeeld, dan werd de reUgieuze keuze van het hart van
bepalende betekenis.
Toen Dooyeweerd in Vox Theologica een artikel schreef over
'De niet-theoretische voor-oordeelen in de wetenschap', werd hij
door de redactie van het maandblad Synthese uitgenodigd dit thema
in een artikel uit te werken. Hij noemde zijn bijdrage De Transcen-
dentale Critiek van het Wijsgerig Denken, en met die titel diende
Dooyeweerd zich voor het eerst als een gesprekspartner van
Immanuel Kant aan. Kant meende in het theoretische denken zelf
het Archimedisch punt van zijn kennistheorie te kunnen vinden.
Dooyeweerd vond dat een dogmatisch standpunt en stelde opnieuw
de vraag naar het Archimedisch punt als het 'transcendentaal
grondprobleem aller mogelijke wijsbegeerte.'
In een bespreking van het boek Philosophic und Sophistiek van
prof. dr. B.J.H. Ovink in het G.T.T. van mei 1941 plaatste
Dooyeweerd een eerste transcendentale grondvraag vóór de eerder
aan de orde gestelde vraag naar het Archimedisch punt. Daarmee
werd die vraag naar het Archimedisch punt de tweede transcenden-
tale grondvraag. Dooyeweerd merkte op dat aan de vraag naar de
257
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's