De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 26
De Vrije Universiteit van 1905 tot 1955, een halve eeuw geestesgeschiedenis van een civitas academica.
oktober 1904, mr. F.A. Diepenhorst op 18 november 1904 en dr. C.
van Gelderen op 4 mei 1905.
Van Gelderen was op 22 september 1904 al lector in de
theologische faculteit geworden met als leeropdracht de exegese van
het Oude Testament. Hij was een leerling van Bavinck en na zijn
studie te Kampen in 1902 te Leipzig gepromoveerd op de vertaling
van Babylonisch-Assyrische brieven. Als hoogleraar ging hij de
Semitische talen doceren in de 'Litterarische Faculteit'.
R.H. Woltjer moest na zijn inaugurele oratie nog promoveren
bij zijn vader. Die promotie vond op 23 december 1904 plaats op
een in het Latijn geschreven dissertatie.
Tussen A. Kuyper en J. Woltjer was enige verwijdering ontstaan.
In 1899 had Woltjer er bezwaar tegen gemaakt dat de benoeming
van Kuypers zoon H.H. Kuyper zo snel en geheimzinnig had
plaatsgevonden zonder overleg met de senaat. Vervolgens had
Kuyper zich grievend over de zoon van Woltjer uitgelaten. Op 16
juli 1903 schreef Woltjer aan zijn 'Waarde Broeder A. Kuyper':
Nu ik toch schrijf moet ik even terug komen op mijn laatste bezoek bij U,
een bezoek dat voor mij zeer gemengde gewaarwordingen heeft nagelaten.
Eerst was ik van plan er niet over te spreken, bij nadere overweging vind
ik het echter beter het wel te doen. Zeer onaangenaam vond ik het, dat
ik, nadat ik een vol uur op U gewacht had, geene enkele minuut kon
toegelaten worden om U even te spreken en dat Gij dit op eene zoo
'duidelijke' wijze mij liet mededeelen.
Pijn echter hebt Gij mij aan de tafel aangedaan en dat op eene wijze, die
ik niet voor onwillekeurig kan houden. Toen Gij mij gevraagd hadt,
hoever Rob met zijne dissertatie stond en ik geantwoord had, dat ik
hoopte, dat hij in September e.k. zou promoveren, zeidet Gij: 'wat zult Ge
daar een werk aan gehad hebben'. In dat antwoord lag natuurlijk
opgesloten dat Rob's dissertatie voor een goed deel mijn werk zou zijn.
Zoo heeft Rutgers, met wien ik den volgenden dag er over sprak, dit
woord klaarblijkelijk ook opgevat. Voor dit oordeel kunt Gij echter zelfs
den geringsten grond niet hebben. Gij kent mij en mijnen zoon al zeer
weinig wanneer Gij meent, dat ik hem meer zou helpen dan een ander, of
hij door mij geholpen zou willen worden. Het tegendeel is waar. Met
andere dissertaties mijner leerlingen heb ik meer werk gehad, dan met die
van mijnen zoon. Dubbel pijnlijk was voor mij Uw woord, daar het
gesproken werd in tegenwoordigheid van Rutgers en zijne vrouw.
Rechtvaardiger en beter zoudt Gij gedaan hebben, wanneer Gij gevraagd
hadt, waarom Victor (de oudste zoon van F.L. Rutgers) die zich zelfs niet
heeft laten recenseeren, met eene dissertatie voor den dag zal komen. Ik
begrijp Uw doen in dezen niet. Meermalen hebt Gij mij naar Rob's
22
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's