De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 123
De Vrije Universiteit van 1905 tot 1955, een halve eeuw geestesgeschiedenis van een civitas academica.
politiek en rechtswetenschap ontkende, scherper uitgedrukt, hij
ontkende de mogelijkheid van een modem Calvinistische staatkunde
en van een modem Calvinistische staatsbeschouwing.'
Hoewel zijn moeder van oorsprong een volgehnge van
Kohlbmgge was, uitte Dooyeweerd ook kritiek op de
Kohlbruggianen: ze waren van de staatkunde afkerig en ze waren
niet met de Doleantie meegegaan.
Het advies inzake Rooms-katholieke en Anti-revolutionaire
Staatkunde, dat tegehjk klaarkwam, bewees dat Dooyeweerd toen
nog met Vollenhoven het realistische uitgangspunt deelde, niet het
naïef maar het 'transcendentaal reaUsme' volgens de terminologie
van Anema.
In oktober 1923 kreeg de Kuyperstichting een rabriek in het
Antirevolutionaire Partijorgaan Nederland en Oranje. Dooyeweerd
wüde daarin aantonen 'de vastheid en eeuwigheid van het beginsel
bij al zijn wisselende aanknoopingspunten bij de practijk.'
In 1924 begon Dooyeweerd vervolgens een serie artikelen over
Het Calvinistisch beginsel der Souvereiniteit in eigen kring als
staatkundig beginsel. Vrijwel ongemerkt ging hij daarbij over van de
door Kuyper bedoelde maatschappehjke kringen via levenssferen op
wetssferen.
Dooyeweerds eerste publieke introductie van het begrip
wetsidee begon met de opmerking dat de soevereiniteit alleen aan
God toekomt, die over ons heerst door zijn wet. Hij zei:
Deze wet ontplooit zich in verschillende ordinantiën, naar gelang van de
levenssferen, waarover zij door den Souvereinen Schepper is gesteld.
God heeft Zijn ordinantiën gesteld zoowel voor de redelooze natuur,
als voor de religie, de moraal, de kunst, het rechfcsleven etc. Ieder dezer
levenssferen vormt naar Calvinistische belijdenis een souvereinen kring.
De Calvinistische wetsidee ... aanvaardt en belijdt de eeuwige en
onoverkomelijke grensUnie tusschen de oneindige wijsheid Gods en de
eindige wijsheid der menschelijke rede... Die wet Gods ontplooit zich in
een veelheid van souvereine wetssferen, die het schepsel als ^
zelfstandige, souvereine kringen heeft te aanvaarden. Een andere is
Gods wet in de natuur, een andere in de historie, een andere in de
sfeer van de moraal, een andere in die van het recht.
In dit verband zag Dooyeweerd de mens toen als een biologisch-
redelijk-zedelijk schepsel. Hij karakteriseerde de mens toen nog
119
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's