Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 259

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 259

De Vrije Universiteit van 1905 tot 1955, een halve eeuw geestesgeschiedenis van een civitas academica.

2 minuten leestijd

15. De transcendentale kritiek van Dooyeweerd

Op basis van de samen met VoUenhoven ontwikkelde leer der

wetskringen ontwierp Dooyeweerd van 1928 af zijn eigen filosofie

met termen en probleemstellingen, die VoUenhoven niet overnam,

maar ook niet bestreed. Dooyeweerd en VoUenhoven ontkenden

dat een neutrale wetenschap en wijsbegeerte zou kunnen bestaan.

Dooyeweerd probeerde dat te bewijzen door transcendentale

grondvragen aan de orde te stellen. In het eerste deel van boek I

van De Wijsbegeerte der Wetsidee komen we die grondvragen al

tegen, maar in de jaren 1936 tot 1946 ging hij die vragen scherper

formuleren om daarmee de pretentie van de neutraliteit en

autonomie van het denken te bestrijden. Hij nam de handschoen

op, die Immanuel Kant met zijn kritische filosofie in het wijsgerige

strijdperk had geworpen. Het ging daarbij om de vraag hoe we

zekere kennis kunnen verkrijgen en waarop die zekerheid berust.

In drie vragen, die samen een eenheid vormen, kleedde

Dooyeweerd zijn filosofie in. Het ging om gecomphceerde

vraagstukken, waarop iedere wijsgeer volgens Dooyeweerd behoorde

in te gaan. De eerste vraag stelde het verschil tussen de dagehjkse

ervaring en de wetenschappelijke kennisverwerving aan de orde.

Waarvan abstraheert iemand, die op wetenschappelijke wijze zekere

kennis nastreeft? Volgens Dooyeweerd was dat van de tijd, zodat

het eerste vraagstuk ook over de tijd ging. De tweede vraag stelde

de noodzaak van een uitgangspunt aan de orde, nodig om tot

zekere kennis te kunnen komen. Volgens Dooyeweerd was dat

uitgangspunt te vinden in het hart als boventijdelijk centrum van de

mens, en niet de rede of de Vernunft. De derde vraag stelde die

zekere kennis aan de orde, niet als het bezit van een enkele mens,

maar van de gemeenschap. Dooyeweerd ontwikkelde bij dit

vraagstuk zijn inzicht in de rehgjeuze grondmotieven en hij wees op

Christus als de nieuwe wortel van de mensheid.

Deze drie vraagstukken werden door Dooyeweerd niet in die

logische volgorde ontwikkeld. In 1939 kwam eerst het tweede

vraagstuk als het kernprobleem aan de orde. Daarna kwam in 1941

de eerste vraag erbij als een vraag die voor dat kernprobleem

beantwoord moest worden. En meteen daarna volgde een uiteenzet-

ting over de derde transcendentale grondvraag. Transcendentaal wdl

zeggen gericht op het transcendente, en dat is hetgeen aan de

253

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987

Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's

De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 259

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987

Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's