De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 250
De Vrije Universiteit van 1905 tot 1955, een halve eeuw geestesgeschiedenis van een civitas academica.
het menschelijk bestaan in het lichaam, dat geheel der functies, laat
opgaan. Op dezelfde bladzijde spreekt hij uitdrukkelijk nevens het
"lichaam" van "het hart of de ziel" en gewaagt er ook van dat dit "hart"
of "deze ziel" weder "met het lichaam hereenigd" wordt. Maar de vraag
rijst, wat er bij de opvatting van Prof. VoUenhoven, dat het lichaam het
geheel der functies is, dan voor dat hart of deze ziel overblijft. Hierbij
moet ook gewezen worden op blz. 33, waar Prof. VoUenhoven aangeeft,
wat, naar zijn oordeel, bij een Schriftuurlijk gebruik, onder "lichaam" en
"ziel" is te verstaan. Hij kant er zich hier zoo scherp mogelijk tegen, dat
"functiegroepen door menschen willekeurig tot zoogenaamde dingen
worden gepromoveerd". Hij wil dus van een splitsing der functies niet
weten, en dit bevestigt de juistheid van de door de faculteit getrokken
conclusie, dat volgens hem het lichaam het geheel van alle functies is.
En dat in de daarna volgende woorden: "waarna men zich tevergeefs
aftobt het antwoord te vinden op de uiteraard onoplosbare puzzle hoe
het toch komt dat twee van zulke pseudo-dingen toch blijkbaar een
zijn", eene directe bestrijding moet worden gezien van de door de
faculteit als leer der Gereformeerde belijdenisschriften vooropgestelde
dichotomie, waarbij de mensch erkend wordt als eene éénheid van een
stoffelijk lichaam en eene onstoffelijke, onsterfelijke ziel, behoeft wel
geen nader betoog.
Hoewel dat niet in den hoofdtekst, maar alleen in eene der
aanteekeningen voorkomt, meent de faculteit er ook op te moeten
wijzen, dat Prof. VoUenhoven den term "onsterfelijke ziel" bestrijdt. De
faculteit geeft natuurlijk volgaarne toe, dat God in absolute zin alleen
"onsterfelijkheid" heeft, geUjk de door Prof. VoUenhoven geciteerde
tekst 1 Tim. 6:16 (door een drukfout staat er 1 Tim. 3:16) uitspreekt.
Maar dit mag geen reden zijn om te loochenen dat God de
menschelijke ziel als in relatieven zin "onsterfelijk" zou geschapen
hebben (Aantekeningen bij Het Calvinisme en de reformatie der
wijsbegeerte, blz. 6 aant. 40).
Het tweede punt raakt de belijdenis van de vereeniging van de twee
naturen van den Middelaar Jezus Christus in één persoon. De faculteit
kan niet anders dan het meest ernstige bezwaar uitbrengen tegen het
feit, dat Prof. VoUenhoven, als hij op blz. 67 over deze vereeniging
spreekt, in de plaats van de formuleering van de Nederlandsche
GeloofsbeUjdenis art. 19 dat "de Persoon des Zoons onafscheidelijk
vereenigd en tezamen gevoegd is met de menscheüjke natuur" of van
den Heidelbergsche Catechismus zondag 14, vraag en antwoord 35, "dat
de eeuwige Zone Gods, die waarachtig en eeuwig God is en blijft, ware
menscheUjke natuur uit het vleesch en bloed der maagd Maria door de
werking des Heihgen Geestes aangenomen heeft", gesteld heeft de
volgende terminologie, dat "het Woord zich op geheel eenige wijze
verbond met hem, die, ontvangen uit den Heihgen Geest en geboren
uit de maagd Maria, de tweede Adam is". Het vervangen van den term
244
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's