Vrij van kerk, staat en... verleden - pagina 103
Moet het bijzondere van de VU worden afgeschaft? Medewerkers en studenten van de Vrije Universiteit geven hun mening over zin/onzin van een bijzondere universiteit in de jaren negentig.
2.1 Er is echter een niet te onderschatten hindernis. Om die te beschrijven benader
ik de opgegeven vraag ook nog vanuit een andere invalshoek.
Voor een professionele organisatie als een universiteit is kenmerkend dat professionals
(i.e. onderzoekers en onderwijzers) met specifieke competentie er de kern van vormen.
Wetenschappelijk onderwijs en onderzoek is hun taak en alleen zij zijn - gezamenlijk
- in staat te beoordelen hoe die taak moet worden opgevat en uitgevoerd. Dat veron-
derstelt een grote mate van vrijheid. Het betekent ook dat onderlinge samenwerking
of de formulering van gezamenlijke doelen alleen kan tot stand komen door overtui-
gingskracht en consensus.
Dat geldt evengoed wanneer het gaat om de universiteit als cultuurdraagster en
om het bijzondere van de universiteit. Ook in dat geval zijn taakstellingen of pretenties
leeg als ze niet gedragen worden door een herkenbare consensus onder de staf.
2.2. De consequentie daarvan is dat het weinig zinvol is te spreken over het bijzondere
van de VU als dat niet gedragen wordt door degenen die de kern ervan vormen.
De wezenlijke taken van de universiteit zijn die van de professionals en als zij het
bijzondere niet tot uitdrukking brengen in hun taakuitoefening, moet dat, als het
ware per definitie, niet meer dan een marginaal aspect van de universiteit blijven.
2.3 In de bestaande situatie is de kern van het bijzondere van de Vrije Universiteit
vastgelegd in de christelijke doelstelling van de universiteit. Bij indiensttreding wordt
van de staf gevergd - uitzonderingen daargelaten - dat hij/zij instemt met die
doelstelling. Ideaal gesproken wordt die instemming beschouwd als indicatie dat
betrokkene zich wil inzetten voor realisering van de doelstelling van de universiteit.
Na hetgeen ik hiervoor heb gezegd over de noodzaak van consensus tussen de
professionals, is duidelijk dat een dergelijke benadering in principe juist is.
2.4 Maar deze aanpak heeft in de praktijk tweeërlei bezwaren. 2Le vraagt tegelijk
te weinig en te veel. In de eerste plaats is de doelstelling rijkelijk algemeen gefor-
muleerd zonder dat specifieke universitaire taakstellingen daarmee worden verbonden.
Dat betekent dat de beoogde consensus tussen de professionele kern van de universiteit
op een te abstract niveau wordt nagestreefd, met een ondoorzichtige verbinding
met de universitaire praktijk.
In de tweede plaats heeft de aangegane verplichting een individueel, belijdenisachtig
karakter. De vraag naar instemming met de doelstelling is in feite een vraag naar
iemands gezindheid. Met een dergelijke vraag afmeten of iemand con amore aan
déze universiteit wil werken, miskent de universitaire realiteit; juist de religieuze
inspiratie wordt niet (langer) ervaren als de gemeenschappelijke expressie van het
bijzondere van de VU en kan dus niet als inzet van het gevraagde engagement gelden
zonder het risico van oppervlakkigheid te lopen. En voorzover ze door sommigen
wel wordt ervaren als passende uitdrukking van het bijzondere van de VU, blijkt
ze met een zeer uiteenlopende praktijk te verbinden.
101
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991
Publicaties VU-geschiedenis | 116 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991
Publicaties VU-geschiedenis | 116 Pagina's