Medische psychologie - pagina 221
10 jaar samenwerken in het VU-ziekenhuis. Jubileumboek ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van de afdeling/vakgroep medische psychologie.
Psychosociale begeleiding bij kinderen met kanker 219
betrokkenen. Crisisinterventies, ondersteunende en/of adviserende gesprekken en
spelcontacten kunnen aan de orde komen, maar vaak zijn er gedurende langere
perioden geen directe contacten.
Theoretisch referentiekader
Belangrijk principe bij deze begeleidingen, maar in feite al bij het leggen van de eerste
contacten, is dat wordt uitgegaan van de competentie en autonomie van ouders en
kind. Respect voor de wijze waarop patiënt en ouders reageren en voor hun keuzes
en wensen, staat voorop. Zeker in deze fase van confrontatie met een
levensbedreigende ziekte past de psycholoog bescheidenheid. Begeleiding, zorg en
hulpverlening zijn, zoals Smith treffend omschreef, "vooral als ze uit de mond van
zogenaamde professionele hulpverleners komen, veelal angstaanjagende woorden.
Het zit gauw in de hoek van angst om klein en afhankelijk gemaakt te worden van een
ander die denkt te weten wat goed voor jou is"^. Het referentiekader dat mijns inziens
hierbij goed aansluit is dat van de "client-centered" of Rogeriaanse psychotherapie.
Carl Rogers (1902-1987) ontwikkelde vanaf de veertiger jaren een
psychotherapeutische benadering, gebaseerd op een humanistisch mensbeeld.
Centraal in zijn denken staat het vertrouwen in de mogelijkheden tot groei: een
gezond mens ontwikkelt zich gedurende het hele leven, doordat hij/zij voortdurend
zichzelf tracht te ontplooien (zelf-actualisatie). Dit streven naar zelf-actualisatie is de
drijvende kracht achter het gedrag van ieder mens.^ Het gezonde psychische
functioneren kan worden belemmerd door negatieve omstandigheden en invloeden. In
die omstandigheid komen de daadwerkelijke ervaringen die iemand opdoet in
interactie met de omgeving niet (meer) overeen met het eigen zelfconcept, dat wil
zeggen met het beeld dat die persoon van zichzelf heeft ten aanzien van die
specifieke situatie; er is sprake van een discrepantie (incongruentie) tussen
zelfconcept en daadwerkelijke ervaringen, hetgeen kan leiden tot psychische
stoornissen.^" In psychotherapie wordt uitgegaan van de ontwikkelingsmogelijkheden
van de patiënt en van het vertrouwen dat deze uiteindelijk zelf in staat is het
verstoorde functioneren te herstellen. (Rogers spreekt daarom over een 'cliënt' in
plaats van over een 'patiënt'). Ook in de psychotherapeutische setting wordt de patiënt
beschouwd als een autonoom individu. In de behandeling wordt een situatie
gecreëerd waarin de ontwikkeling van de patiënt weer op gang kan komen.^'' De
techniek die hierbij wordt gehanteerd is die van de weergave (reflectie), door de
therapeut, van de gevoelens van de patiënt. Cruciaal daarbij zijn een drietal
therapeutvariabelen: empathie (invoelingsvermogen), onvoorwaardelijke acceptatie en
echtheid (authenticiteit). Door deze benadering krijgt de patiënt zicht op zijn/haar
probleem en er treedt een veranderingsproces op.^'^
De theorie van Rogers heeft al snel toepassing gevonden bij de behandeling van
kinderen. In 1947 publiceerde Axiine een boek dat op dit gebied als een klassieker
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 324 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 324 Pagina's