Medische psychologie - pagina 107
10 jaar samenwerken in het VU-ziekenhuis. Jubileumboek ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van de afdeling/vakgroep medische psychologie.
De rol van psychosociale factoren bij borstkankenncidentie 105
Binnen prospectief onderzoek, wordt er onderscheid gemaakt tussen quasi-
prospectieve studies (uitgevoerd met een beperkte groep personen die klachten heeft,
nog voor een diagnose bekend is) en prospectief (of cohort-) onderzoek (uitgevoerd
met een cohort van gezonde individuen, die over langere tijd wordt gevolgd) Een
toonaangevende quasi-prospectieve studie is uitgevoerd door Greer en Morns "^'' Zij
onderzochten 160 vrouwen die voor een knobbeltje in de borst naar het ziekenhuis
waren verwezen voor een biopsie Van deze vrouwen bleken er 69 borstkanker te
hebben en 91 een goedaardige aandoening Nog voor de biopsie werden de vrouwen
geïnterviewd en vulden ze vragenlijsten in Na de uitslag van de biopsie zijn de
gegevens van de vrouwen met een kwaadaardige afwijking vergeleken met die van de
vrouwen met een goedaardige aandoening Er bleek geen verschil te zijn in
neuroticisme scores, het aantal stressvolle levensgebeurtenissen, depressie scores,
en haatgevoelens Significante verschillen werden gevonden in de expressie van
boosheid en andere gevoelens vrouwen met een kwaadaardige afwijking
(borstkanker) bleken hun boosheid minder te uiten dan de vrouwen met een
goedaardige aandoening Dit verschil werd later door anderen bevestigd ^^" Evenwel,
weer andere onderzoeken, waaronder ook grootschalige cohortstudies studies,
konden een dergelijk verband met bevestigen '^^^
Opvallend zijn de artikelen die gepubliceerd zijn door Grossarth-Maticek en Eysenck,
waann een duidelijk verband is beschreven tussen een bepaalde persoonlijkheid en
het optreden van kanker ^^^ Ondanks de twijfels die later zijn gerezen over de
betrouwbaarheid van hun prospectieve onderzoeken,^^ ^^ zijn de studies toch van
invloed geweest op later onderzoek naar een zogenaamde 'kankerpersoonlijkheid' Zo
IS er bijvoorbeeld een theoretisch model ontwikkeld over waarom iemand met
bepaalde eigenschappen (Type-C gedrag) een verhoogde kans op het optreden van
kanker zou hebben ^^ Het Type-C individu wordt beschreven als iemand die
coöperatief is, weinig assertief, geduldig, gevoelens als boosheid onderdrukt en
meegaand is met hogergeplaatste personen
Gelet op de belangrijke rol die de onderzoeken van Greer en Morns, en Grossarth-
Maticek hebben gespeeld bij de theonevorming omtrent de rol van psychosociale
factoren bij borstkankenncidentie, zal hierop later in dit hoofdstuk worden
teruggekomen
Verklaringen voor mogelijke verbanden
Stel dat er inderdaad een relatie bestaat tussen psychosociale vanabelen enerzijds en
het optreden van borstkanker anderzijds, hoe zou een dergelijk verband uitgelegd
kunnen worden? Holland (1989) geeft hiervoor twee mogelijke verklanngen ^
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 324 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 324 Pagina's