Vinden en zoeken: het bijzondere van de Vrije Universiteit - pagina 107
Het bijzondere van de Vrije Universiteit
DE VELE "OPVOEDINGEN" 95
Ricoeur is eveneens in eerste aanleg gericht op heterogene ervarin-
gen, in de sterke betekenis van tegenstrijdige, onverenigbare ervaringen.
Daarvan getuigt al zijn definitie van een 'plot' van een verhaal, of, juister,
aangezien hij het ontwerpen van een plot als een activiteit beschouwt,
zijn omschrijving van "emplotting": "Ik zal de operatie 'emplotment' kort
definiëren als een synthese van heterogene elementen".'-'' De notie van
de dynamische voortstuwing van moment naar volgend moment, ken-
merkend voor de traditionele zienswijze op de totstandkoming van de
plot,''* is bij hem verdwenen. De mens wordt dus echt in eerste instantie
met zijn heterogene ervaringen alleen gelaten en er is niet aanstonds
hulp voorhanden. Het valt nu sterk op, hoezeer ook Ricoeur is geïnteres-
seerd in het proces van canonisering. Hij vangt aan, zoals gezegd, bij de
heterogeniteit der ervaring en stelt dat de Thora, noch het verhaal over
het leven van Jezus, zoals verteld door de evangelisten, een verhaal der
verhalen, ofwel, een metaverhaal is. Dat zou namelijk betekenen, dat zij
zijn ontworpen op basis van een 'superpiot' en daar gelooft Ricoeur in het
geheel niet in. De 'plot der plotten' dat het idee van de ene mensheid en
de ene geschiedenis kan evenaren, bestaat naar zijn oordeel niet.'^ Dat
zou immers een filosofie der geschiedenis impliceren en niet een ver-
haal. Het evangelie, aldus Ricoeur, is ons dan ook in viervoud overge-
leverd.'^ Wel een bewijs, dat een echt verhaal totaliserend is, gericht op
vermeerdering van zin en betekenis; en niet totalitair. Dat verhaal wordt
door de geschiedenis voorgedragen en, hoewel gecanoniseerd, blijft het
open voor interpretatie-op-interpretatie. Zo wijst Ricoeur, om een voor-
beeld te noemen, op het exodus-motief als een 'plot' die een mens en een
gemeenschap krijgen aangereikt als een voorstel dat de mogelijkheid in
zich bergt om de eigen ervaringen te interpreteren.
Het primaire en secondaire protestants-christelijk opvoedingsmilieu,
huisgezin en school dus, werden steeds gekenmerkt door een levendige
vertel- en voorleescultuur; ook en vooral met betrekking tot de godsdien-
stige opvoeding. Jeugdigen en aanvankelijk-volwassenen laten zich ech-
ter niet langer vertellen en voorlezen. Zij doen hun eigen, heterogene
levenservaringen op, maar de beschouwingen van Bruner en Ricoeur
tonen aan, dat een zinvol ontwerp van het eigen levensverhaal noodzake-
lijkerwijs blijft georiënteerd aan het gecanoniseerde verhaal; op straffe
anders tot een hopeloos subjectivisme te vervallen dat kind en jeugdige
in eenzaamheid achterlaat.
Dat is niet een boodschap die specifiek de omgang met studenten der
Vrije Unversiteit aangaat; wel een heenwijzing naar een pedagogische
noodzaak als zodanig.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 196 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 196 Pagina's