Vinden en zoeken: het bijzondere van de Vrije Universiteit - pagina 45
Het bijzondere van de Vrije Universiteit
DE VRIJE UNIVERSITEIT IN EIGEN SPIEGEL 33
Onze Vrije Universiteit (f. Roelink, 1935)
Wie de geschiedenis van de Vrije Universiteit schrijft, spreekt over
menseUjk handelen. 'Dat wil—om het nu maar eens huiselijk uit te
drukken—enerzijds zeggen dat we niet met hallelujah's kunnen vol-
staan; anderzijds, dat we niet mogen verwachten dat menselijke en
kerkelijke kleinheid niet tot die geschiedenis zouden behoren' (28).
Ieder die Roelink gekend heeft, vindt hem in deze uitspraak terug. Met
het hele gedenkboek van 1955 zal hij meer moeite hebben. De lezer hoopt
op het relaas van kleine mensen die tot grote dingen geroepen werden.
Maar de heldentijd blijkt na driekwart eeuw nog niet voorbij. Roelink
was de eerste beroepshistoricus die de geschiedenis van de Vrije
Universiteit beschreef. Zijn band met de instelling blijkt echter te eng
om hem op kritische afstand van zijn onderwerp te houden. Gelijktijdig
met het gedenkboek publiceerde Roelink voor de jeugdbonden van de
gereformeerde kerken een kleine brochure onder de naam 'Onze Vrije
Universiteit'. Die titel zou ook voor het grote boek uitstekend gepast
hebben.
Er zijn wel enkele passages waaruit kritiek spreekt. Lohman is in 1896
terecht ontslagen als hoogleraar, want hij was niet gereformeerd; maar
dat had men al geweten bij zijn benoeming in 1884 (114), en het risico
dus met open ogen aanvaard. Geesink noemde het in 1898 strijdig met
de ordeningen Gods, dat aan de openbare universiteiten ook meisjes zich
voor de studie mochten aanmelden. Dat is meer dan een grappige
anecdote, zegt Roelink. Je kunt er van schrikken: 'zo kunnen wij dus
onze eigen oordelen en vooroordelen als ordeningen Gods presenteren'
(119).
Maar werkelijk kritische distantie is het niet. In beide gevallen is
Roelink in harmonie met zijn tijd. Hij wordt gesteund door de in 1955
gangbare opinies. Ook bij actuele vragen kiest hij het veilige spoor. We
kunnen niet voorbijgaan aan de vrijmaking en aan het barthianisme,
zegt Roelink, 'maar de beschrijving ervan is onze taak niet. Dit alles is
immers nog geen geschiedenis geworden' (155). Samen moeten ze het
dus doen met ruim een bladzijde. Berkouwer wordt met ere genoemd als
Barths principiële bestrijder. In de alinea's over de vrijmaking komt zijn
naam niet voor.
Het was in 1955 natuurlijk ook niet zo eenvoudig, begrip te tonen voor
de vrijmaking, en tegelijk een grenzeloze bewondering te koesteren voor
Abraham Kuyper. Ik heb in die jaren vijftig eens een congres bijge-
woond van de studentenvereniging SSR, waar een vrijgemaakt hoog-
leraar een nogal afstandelijk referaat hield over de kuyperiaanse theo-
logie. Toen hij was uitgesproken, stond onmiddellijk de vertegen-
woordiger van het VU-corps op om te protesteren tegen de smaad die de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 196 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 196 Pagina's