Medische psychologie - pagina 246
10 jaar samenwerken in het VU-ziekenhuis. Jubileumboek ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van de afdeling/vakgroep medische psychologie.
244 Merlijn en De Wit -Raadsheer
Tabel 1:
Diagnostische criteria voor trichotillomanie (DSM-IV).^
1) Herhaaldelijk niet in staat zich te verzetten tegen de impulsen zich de haren uit te trekken,
hetgeen leidt tot zichtbaar haarverlies.
2) Toenemend gevoel van spanning onmiddellijk vóór het haar uittrekken of wanneer
geprobeerd wordt dit gedrag te weerstaan.
3) Lust, bevrediging of een gevoel van opluchting bij het uittrekken van het haar.
4) De verstoring kan niet beter verklaard worden door een andere psychische stoornis en is
niet het gevolg van een somatische aandoening (bijvoorbeeld huidziekte).
5) De stoornis veroorzaakt in significante mate lijden of beperkingen in het functioneren op
sociaal gebied of op andere terreinen.
De ernst van het trekken van haren kan logischerwijze afgeleid worden uit de grootte
van de kale plekken. Dit kan variëren van dunnere beharing tot geheel kale plekken.
Belangrijk in dit verband is om te weten of het uittrekken van haren op verschillende
delen van het lichaam voorkomt. Iemand met dunnere beharing op de schedel kan
tevens op voor het oog 'onzichtbare' delen, grote kale plekken hebben ten gevolge
van haren uittrekken. De kale plekken worden over het algemeen zo goed mogelijk
verborgen met behulp van hoedjes, sjaaltjes, make-up en dergelijke. Omdat het zelf
uittrekken van haren meestal ontkend wordt, zal de diagnose vaak op basis van
observatie of een trichogram (haarwortelonderzoek) gesteld worden. De
haarwortelstatus van een pas ontstane laesie levert een toename van dystrofische
en/of dysplastische haanwortels op. Telogene of katagene haanwortels zijn echter niet
of weinig zichtbaar. Bij twijfel wordt een histopathologisch onderzoek van een blopt uit
een onlangs ontstane plek verricht. Naast normale lege haarfollikels worden
keratinemateriaal en melanine in misvormde folllkels aangetroffen."
In de differentiaal diagnose, volgens DSM-IV^, moeten allereerst andere mogelijke
oorzaken van de kale plekken opgenomen worden, zoals alopecia areata (een ziekte
van de haarwortel) en tinea capitis (hoofdluis). Daarnaast mag een andere mentale
stoornis niet beter passen bij het gedrag van het individu; zo mag het gedrag geen
reactie zijn op een obsessleve-compulsieve stoornis. Tot slot moet het zelf
veroorzaken van kale plekken onderschelden worden van een nagebootste stoornis
met overheersende fysieke tekenen en symptomen, waarbij de motivatie van het
gedrag meer ligt in een 'ziekterol'.
Veel mensen spelen met of trekken aan hun haren in stressvolle situaties. Dit moet
dan ook niet direct als pathologisch betiteld worden. Pas wanneer het trekken
langdurig stand houdt, resulteert In kale plekken én een significante mate van lijden
dan wel beperkingen oplevert in het dagelijks leven, moet de diagnose 'tricho-
tillomanie' oven/vogen worden. Bij kinderen kan het trekken van haren een
kortdurende gewoonte zijn, waardoor de diagnose 'trichotillomanie' beter gesteld kan
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 324 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 324 Pagina's