Vinden en zoeken: het bijzondere van de Vrije Universiteit - pagina 26
Het bijzondere van de Vrije Universiteit
14 R. FERNHOUT
Schrift als 'bril' nodig, ook thans niet om de natuur beter te leren kennen
maar, om God zelf beter te leren kennen, eerst als Schepper en dan als
Verlosser (Inst. I, 6, 1). Art. 2 en Calvijns 'bril' hebben dus niets met
wetenschappelijke kennis te maken, maar juist met, om Kuypers
woorden te gebruiken, kennis van de 'verzoening'. Ze kennen geen
afzonderlijk waarde toe aan de natuur, maar maken haar geheel onder-
geschikt aan de context van zonde en genade.
Ook Kuypers kijk op Christus als 'eeuwig Woord' en Scheppings-
middelaar blijkt aanvechtbaar. Deze opvatting stoelt kennelijk, hoewel
Kuyper dat niet met zoveel woorden zegt, op de proloog van het evangelie
naar Johannes. Inderdaad spreekt deze proloog over Christus als het
Woord van God en er is niets op tegen om Hem Scheppingsmiddelaar te
noemen. Maar van een omzetten van Gods gedachten in geschapen
'woorden' (het geheel van de natuur), lezen we niets. Wel vinden we de
dramatische 'cesuur', die we later in art. 2 van de Nederlandse geloofs-
belijdenis en bij Calvijn zullen tegenkomen, ook reeds hier: de Schep-
pingsmiddelaar was in de door Hem geschapen wereld en deze kent
hem niet, Hij kwam zelfs tot de zijnen en dezen nemen Hem niet aan
(Joh. 1: 10-11). Aan wie Hem, door een wonder Gods, wél hebben aan-
genomen, leert Hij niet de aard van de schepping kennen, maar doet Hij
de Vader kennen (Joh. 1: 12-13; 18). Tegen deze achtergrond moeten we
de woorden verstaan waarmee Johannes de Doper Jezus aanwijst: "Zie
het lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt" (Joh. 1: 29). Het 'eeu-
wige Woord' wordt het offerlam voor een door en door verworden schep-
ping. Hem hiernaast een afzonderlijke rol toe te kennen in het weten-
schappelijke verstaan van het 'boek van de natuur' is een anti-climax.
Nu kan niet ontkend worden dat Kuypers opvatting aangaande de
schepping als 'verwoorde gedachte van God' teruggaat op een oeroude
traditie binnen de kerk. Van oudsher hebben christenen, onder invloed
van het Griekse denken, verdedigd, dat de schepping een 'logische'
structuur heeft, omdat zij door de Logos (Woord) van God (de preëxistente
Christus) is geschapen. Deze opvatting bracht ook met zich mee dat het
denkvermogen, de 'logos', van de mens bepalend werd geacht voor het
mens zijn, hoe verschillend men ook de relatie tussen dit vermogen en
andere vermogens in kaart bracht. Kuyper zelf heeft vanuit deze
gedachte de glorie van de wetenschap verdedigd:
Het is Gods eere, dat er wetenschap in den lande zij. Zijn gedachte, zijn
Aóyoq, mag niet ongekend en onnagespeurd in den KÓa|ioq blijven schuilen.
Hij schiep ons als logische wezens, opdat we zijn Aóyoc, zouden naspeuren,
uitbrengen, zelf bewonderen en doen bewonderen. (1889, 14)
Ook de door de ongelovige beoefenaar van wetenschap verworven
kennis is volgens Kuyper vrucht van de relatie die deze als logisch
wezen tot de Logos als Scheppingsmiddelaar bezit (vgl. 1911, I, 247). We
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 196 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 196 Pagina's