Medische psychologie - pagina 76
10 jaar samenwerken in het VU-ziekenhuis. Jubileumboek ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van de afdeling/vakgroep medische psychologie.
74 Kuiper
bestaan vol eenzaamheid. Het valt te begrijpen dat een dergelijke situatie een sterke
wissel trekt op het emotionele leven van de persoon in kwestie. Tegenover het
gegeven dat het leven als iemand van het andere geslacht de ervaren
genderproblematiek doet verminderen, staat het gegeven dat genoemde
verliessltuaties in veel gevallen de schaduwzijde vormen van de geslachtsaanpassing.
De man-vrouw transseksuelen voelen zich in sociaal opzicht weliswaar volwaardig
vrouw, maar het sociale leven wordt vaak als onvolwaardig ervaren.' Voor de vrouw-
man transseksuelen Is de situatie gunstiger. Bij hen is vaker dan bij de man-vrouw
transseksuelen sprake van een vaste relatie en werk, van meer en beter contact met
de familie, van ruimere voldoening met sociale relaties en van minder eenzaamheid.
De betere uitkomsten bij de vrouw-man transseksuelen in vergelijking met de man-
vrouw transseksuelen, zowel in objectieve als subjectieve zin, worden vooral
toegeschreven aan het feit dat de vrouw-man transseksuelen er in fysiek opzicht
gunstiger voorstaan. Hun secundaire (mannelijke) geslachtskenmerken zijn vaak
overtuigender dan de vrouwelijke van de man-vrouw transseksuelen. Dit
vergemakkelijkt de sociale aanpassing. Hierbij speelt een rol dat de (westerse)
samenleving milder oordeelt over vrouwen die zich op een mannelijke manier kleden
en/of gedragen, dan over mannen die zich vrouwelijke kleden en/of gedragen.
Het enige onderzoek dat het nut van de geslachtsaanpassende behandeling
nadrukkelijk in twijfel trekt, is dat van Meyer en Reter uit 1979." De
geslachtsaanpassing biedt volgens hen aan behandelde personen in vergelijking met
onbehandelden geen objectief voordeel wat betreft sociale rehabilitatie. Deze studie,
die toentertijd de nodige commotie veroorzaakte (onder andere leidde tot het tijdelijk
staken van de geslachtsaanpassende behandelingen in het John Hopkins Hospital),
werd op methodologische gronden gekraakt."'*"^ Het voornaamste kritiekpunt betrof de
gehanteerde uitkomstcriteria. De sociale aanpassing voor en na de behandeling werd
afgemeten aan de hand van contacten met justitie en politie, psychiatrische gegevens,
gegevens over de werkgeschiedenis, en aan het samenwonen met iemand van het
'geschikte' of 'ongeschikte' geslacht (waarbij onduidelijk bleef wat de auteurs hieronder
verstonden). De weging van deze betwistte criteria verliep bovendien arbitrair. Zo
kreeg bijvoorbeeld iemand die ooit onder arrest had gestaan dezelfde negatieve score
(-1) als iemand die samenwoonde met een persoon van het 'ongeschikte' geslacht, en
werd trouwen hoger gewaardeerd (+2) dan samenwonen met een persoon van het
'geschikte' geslacht (+1).
Spijtonderzoek
Hebben mensen spijt van de behandeling? Het aantal personen dat postoperatief de
behandeling betreurde en/of suïcide pleegde, dan wel daartoe een poging ondernam,
is gering. Pfafflin en Junge schatten dat postoperatief ongeveer 2.0% van de man-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 324 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 324 Pagina's