Medische psychologie - pagina 88
10 jaar samenwerken in het VU-ziekenhuis. Jubileumboek ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van de afdeling/vakgroep medische psychologie.
86 Aaronson
gemeten is één ding; het ook daadwerkelijk doen is iets heel anders, tenminste als men
dit op een wijze wil doen die zowel praktisch haalbaar is als methodologisch correct. Ik
wil de dingen echter niet ingewikkelder maken dan ze zijn, want uiteindelijk hoeven we
alleen maar een antwoord te geven op drie vrij eenvoudige vragen: "Wie moet de kwaliteit
van leven van kankerpatiënten meten?", "Wat moeten we meten?" en "Hoe kunnen we
deze metingen standaardiseren?" Laten we eens kijken wat de stand van zaken is.
Wie moet de kwaliteit van leven van kankerpatiënten beoordelen?
Aangezien kwaliteit van leven een zeer subjectief begrip is, lijkt het antwoord hierop zo
vanzelfsprekend dat het de vraag bijna overbodig maakt. Het heeft echter langer geduurd
dan men zou verwachten om het hierover eens te worden. Van oudsher was het meestal
de arts en niet de patiënt die gevraagd werd om zulke metingen te verrichten, zij het in
beperkte mate. In de meeste klinische studies in de oncologie wordt bijvoorbeeld aan de
arts gevraagd om de zogenaamde "performance status" van de patiënt te beoordelen.
Dit gebeurt met behulp van een schaal waarop moet worden aangegeven wat de ernst
van de klachten is en in hoeverre de patiënt in staat is tot de normale, dagelijkse
bezigheden thuis en op het werk. Op het eerste gezicht lijkt dit een simpele en efficiënte
methode om tenminste over bepaalde aspecten van de kwaliteit van leven van een
patiënt iets te kunnen zeggen. Echter, alle praktisch voordelen kunnen teniet worden
gedaan door de methodologische beperkingen van dit soort schalen.
Neem nu bijvoorbeeld de Karnofsky Performance Status Scale. Deze schaal,
geïntroduceerd aan het eind van de jaren '40, werd zo'n 30 jaar lang in brede kring
gebruikt voordat de eerste officiële studie verscheen over de betrouwbaarheid en de
validiteit ervan. Sindsdien zijn er niet alleen tegenstrijdigheden gemeld in de
beoordelingen van meerdere artsen over een en dezelfde patiënt, maar is bovendien
gebleken dat er vaak een discrepantie is tussen wat de arts van de patiënt vindt en hoe
de patiënt zijn eigen toestand beoordeelt.^
Het is dus niet alleen een kwestie van gezond verstand; er is ook empirisch bewijs dat
de patiënt beschouwd moet worden als de voornaamste bron van informatie over zijn
eigen kwaliteit van leven. Dit is met name het geval bij subjectieve ervaringen als pijn,
vermoeidheid en bij emotionele problemen. Maar ook als het gaat om meer zichtbare
klachten, kan directe informatie van de patiënt zelf ons een beter inzicht verschaffen in
de betekenis en de invloed van die klachten op het dagelijks leven. Bijvoorbeeld kaalheid
als gevolg van chemotherapie kan voor een 45-jarige vrouw heel andere emotionele en
sociale gevolgen hebben dan voor een 70-jarige man.
Er zijn echter diverse groepen patiënten voor wie zogenaamde "proxy" metingen, ofwel
metingen door mensen in de directe omgeving van de patiënt, nodig kunnen zijn. Bij
jonge kinderen met kanker is de taalbeheersing vaak onvoldoende om allerlei ervaringen
en gevoelens in woorden uit te drukken. Volwassen patiënten met hersentumoren of
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 324 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 324 Pagina's