Medische psychologie - pagina 59
10 jaar samenwerken in het VU-ziekenhuis. Jubileumboek ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van de afdeling/vakgroep medische psychologie.
Spuit- en prikangst bij diabetespatiënten die met insuline
behandeld worden: een onderbelicht probleem
E.D. Mollema
Samenvatting
Bij diabetespatiënten die behandeld worden met insuline zijn het injecteren van
insuline en het meten van de bloedglucose belangrijke onderdelen van de dagelijkse
zelfzorg. De meeste diabetespatiënten hebben hier ogenschijnlijk (na verloop van tijd)
geen moeite mee. Sommige patiënten hebben echter last van langdurige angst voor
spuiten en/of bloedglucose prikken. Spuit- en prikangst vormen voor de patiënt een
emotionele belasting en kunnen daarnaast ook negatieve gevolgen hebben voor de
glycemische controle en derhalve voor de gezondheid omdat men wellicht minder
injecteert/controleert dan optimaal zou zijn. Literatuur betreffende spuit- en prikangst
bij diabetespatiënten is schaars. Om de mate van angst voor spuiten/prikken te
kwantificeren werd door ons de Diabetes Spuit- en Prik-Angst Vragenlijst (D-SPAV)
ontwikkeld. Deze vragenlijst bestaat uit twee subschalen, die resp. spuitangst en
prikangst meten. In een voorstudie blijken data ondersteuning te geven aan de
validiteit en betrouwbaarheid van de D-SPAV. In toekomstig onderzoek zal verdere
validatie van de D-SPAV plaatsvinden. Gebruikmakend van de D-SPAV zal een zo
nauwkeurig mogelijke schatting van de prevalentie van ernstige en lichte spuit- en
prikangst gemaakt worden. Aard, mogelijke determinanten, en de consequenties van
spuit- en prikangst zullen onderzocht worden. Op grond van deze gegevens zullen
aanbevelingen worden gedaan voor behandeling.
Inleiding
Diabetes is een chronische ziekte, waarbij mensen zelf de bloedglucose moeten
reguleren, omdat hun lichaam te weinig of geen insuline aanmaakt. Voor type 1
diabetespatiënten, bij wie de alvleesklier helemaal geen insuline meer produceert,
betekent dit dat zij zichzelf eike dag twee tot vier keer subcutaan insuline moeten
injecteren. Verder moeten ze hun bloedglucose regelmatig in de gaten houden door
bloed te prikken uit de vinger en hiervan de glucosewaarde te bepalen met behulp van
een elektronisch bloedglucosemetertje. De meeste type 2 patiënten, bij wie de
insulinefunctie bij aanvang van de ziekte nog gedeeltelijk intact maar door
insulineresistentie onvoldoende is, kunnen in het begin volstaan met een therapie van
dieet en glucoseverlagende tabletten. Het komt echter steeds vaker voor dat ook type
2 patiënten over moeten gaan op insulinetherapie, omdat de bloedglucosewaarden te
hoog oplopen.
Insuline injecteren en/of bloedglucose controleren zijn onderdelen van de zelfzorg die
mensen met diabetes dagelijks zullen moeten uitvoeren. Het toedienen van insuline
middels injecties kan in sommige gevallen vervangen worden door het gebruik van
een subcutane insulinepomp (CSU), dan wel een geïmplanteerde intraperitoneale
pomp (CIPII). Laatstgenoemde behandeling is in Nederland nog relatief zeldzaam.
^^^ék
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 324 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 324 Pagina's