Vinden en zoeken: het bijzondere van de Vrije Universiteit - pagina 24
Het bijzondere van de Vrije Universiteit
12 R. FERNHOUT
functie in verenigende zin. Vooronderstelling hierbij is Kuypers vol-
strekte afwijzing van het destijds gangbare ideaal van een neutrale
wetenschap die een objectief waarneembare stand van zaken onderzoekt.
Wie wetenschap bedrijft, aldus Kuyper, neemt altijd zichzelf mee, met
zijn eigen overtuiging of geloof en de daarin besloten beschouwing van
het voorwerp van onderzoek. De levens- en wereldbeschouwing van de
onderzoeker is bepalend voor de conclusies die hij aan zijn onderzoek
verbindt. Daarom is aan een universiteit volgens Kuyper geestelijke
eenheid onder de onderzoekers vereist, wil niet alle samenhang tussen
de resultaten van het onderzoek teloor gaan. Wat zou er van het paleis op
de Dam zijn terechtgekomen als er drie architecten, elk volgens een
eigen bestek aan hadden moeten werken? Een dergelijk gebrek aan
samenhang is des te minder te aanvaarden, omdat een universiteit "een
peperdure zaak" is. Wanneer zo'n universiteit dan ook nog in stand moet
worden gehouden door vrijwillige bijdragen (zoals bij de Vrije Univer-
siteit destijds het geval was), kan men toch moeilijk verwachten dat er
gulle gevers te vinden zijn "voor het wetenschappelijk onderzoek van
twee mannen waarvan de één stelselmatig eiken steen loswrikt, dien de
ander met veel inspanning pas had gemetseld" (1899, 30-33).
De door Kuyper verlangde samenhang en eenheid is volgens hem
niet alleen van belang voor het onderzoek, maar ook voor het onderwijs.
De studenten dienen weliswaar kennis te nemen van allerlei relevante
beschouwingen op het terrein van de wetenschap, maar ze moeten
tevens leren die vanuit één gezichtspunt kritisch te beoordelen. Dit is
alleen maar mogelijk als hen door hun docenten ook zulk een eenheid
van gezichtspunt wordt bijgebracht (1899, 32-33). In twee redes voor de
studenten bij de opening van het academisch seizoen heeft Kuyper deze
zaak nog nader uitgewerkt. Het is, aldus Kuyper, in flagrante strijd met
"de primordiale eischen van elke vormende opleiding", dat "op het
college van Dinsdag leugen heet wat op het college van Maandag als
waarheid werd aanbevolen" (1900, 28). Dit klemt des te meer daar
Kuyper de universiteit niet, naar de latere opvatting van de term, wenst te
zien als een universitas scientiarum, maar als "de universitas docentium et
discentium, leeraren en leerlingen voor één heilig doel als bond- en
standgenooten in éénzelfde corporatie vereenigd" (1889, 10).
Een logisch gevolg van de van onderzoekers en docenten verlangde
eenheid van overtuiging is dat zij, hoe pijnlijk dit ook mag zijn, de uni-
versiteit dienen te verlaten, wanneer zij tot andere inzichten zouden ko-
men. De wijze waarop de universiteit zich gebonden heeft aan 'het woord
van God' heeft ook op het persoonlijke vlak "bindendezin" (1899, 39).
Het valt niet te ontkennen dat Kuypers betoog het beeld oproept van een
hecht gestructureerd universitair bedrijf met een duidelijke eigen
identiteit in onderscheidende en verenigende zin. Deze identiteit is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 196 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 196 Pagina's