Vinden en zoeken: het bijzondere van de Vrije Universiteit - pagina 156
Het bijzondere van de Vrije Universiteit
144 R. VAN WOUDENBERG
n a m e sommige door Wittgenstein geïnspireerde denkers h e b b e n
betoogd dat wetenschappelijke vragen altijd vragen zijn naar de verklaring
van verschijnselen (bijv. Brümmer 1991; Burms/De Dijn 1986). Ik denk
echter dat dit maar ten dele juist is. Het is bijv. niet waar voor grote delen
van de geesteswetenschappen (bijv. delen van de geschiedenis en de
filosofie). In de natuurwetenschappen gaat het inderdaad vaak om de
verklaring van verschijnselen. Maar ook al is dit zo, dan nog volgt daar
niet uit dat slechts natuurwetenschappelijke vragen vragen naar de
verklaring van een verschijnsel. Immers, ook in het dagelijks leven
vragen we naar verklaringen (bijv. 'hoe komt het dat de ruiten nat zijn,
hoewel het niet geregend heeft?'). Gerichtheid op verklaring is daarom
ook geen exclusief kenmerk van wetenschappelijke vragen.
Het mag dus moeilijk, zo niet onmogelijk, zijn om een wetenschappe-
lijke vraag afdoende te karakteriseren. Wat echter volkomen evident is
(of beter: wat voor velen in de christelijke traditie en ook voor velen aan
de VU volkomen evident was), is dat er vragen zijn, die volstrekt legi-
tiem zijn, ja, die zelfs in alle opzichten van ultiem belang zijn, maar die
in de wetenschap niet, nooit, beantwoord kunnen worden. Het zijn zulke
vragen als: 'wat is de zin van het leven?', 'waarom bestaat er iets en niet
veeleer niets?', 'wat moeten we doen en hoe behoren we te leven', 'wat
vraagt God van ons?', 'welke morele normen hebben wij te eerbiedigen?'
De wetenschappen zoals wij die kennen, geven op deze vragen geen
antwoord. En dit is de vierde interpretatie die men kan geven aan de stelling dat de
wetenschap grenzen heeft: haar onvermogen om de genoemde existentiële vragen te
beantwoorden.'^
Nu zal lang niet iedereen deze stelling, aldus geïnterpreteerd, willen
of kunnen onderschrijven. Men kan bijvoorbeeld menen dat omdat de
wetenschap op deze vragen geen antwoord heeft, deze vragen ook niet
gesteld dienen te worden. Deze door de wetenschap onbeantwoordbare
vragen, zo zeiden de neopositivisten bijv., zijn onzinnig. Het op de weten-
schap geënte verificatie-criterium dat zij hanteerden om zinvolle vragen
te schiften van onzinnige, bleek echter allesbehalve acceptabel. Want
veel vragen die duidelijk volkomen zinvol zijn (zoals de hierboven
genoemde), werden door het criterium als niet-zinvol veroordeeld. En
dan staat men voor een dilemma: ofwel men handhaaft het criterium en
wijst de genoemde vragen als onzinnig van de hand, ofwel men wijst
het criterium af en geeft de genoemde vragen de aandacht die ze
verdienen. Dit laatste lijkt veruit de meest acceptabele opstelling.''
Inmiddels heeft zich een nieuwe denkwijze aangediend die claimt
dat de stelling dat de wetenschap begrensd is in de in deze paragraaf
aangegeven zin, onjuist is. De genoemde existentiële vragen, die men (al
was het maar om de verificationisten nog even posthuum te prikkelen)
zinvragen zou kunnen noemen, zo wordt betoogd, zullen in de loop van het
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 196 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
Publicaties VU-geschiedenis | 196 Pagina's