Een handvol filosofen - pagina 111
Geschiedenis van de filosofiebeoefening aan de Vrije Universiteit in Amsterdam van 1880 tot 2012
7 Verdere ontwikkeling van hun denken 107
biotische in denkkracht en dynamiek van gedachten, en in het psychische onder an-
dere in een denkwil. Het logische wijst vooruit naar hogere functies: in het histori-
sche of culturele blijkt dit uit het vormen of cultiveren van begrippen en in het lingu-
ale uit het formuleren van oordelen.
Vollenhoven erkende dat deze onderscheidingen slechts voorlopig waren en dat
het onderzoek van de vakwetenschappen tot nieuwe inzichten kon leiden. Hij was er
echter van overtuigd dat de genoemde functieonderscheidingen noodzakelijk waren
om verwarring omtrent het logische te voorkomen. Zo wees hij de klassieke typering
van de mens als een 'redelijk-zedelijk wezen' af, omdat daarin slechts twee functies
(de logische en morele) van de mens als kwalificaties werden genoemd en tekort werd
gedaan aan andere menselijke functies. Ook konden zijn onderscheidingen verhelde-
rend zijn in een kritische bestudering van de methodologie van de verschillende we-
tenschappen, waarin het niet-logische (bijvoorbeeld het biotische, het psychische of
het sociale) met het logische werd gecombineerd. Het logische kwam in alle metho-
dologieën terug, waarbij het logische een onderdeel van een methodologie is en niet
omgekeerd. Zo wilde hij zijn opvattingen van een christelijke logica uitwerken en een
plaats geven in een kentheorie als een onderdeel van zijn calvinistische filosofie die de
werkelijkheid in haar onherleidbare verscheidenheid èn samenhang onderzoekt."'
H e t denken van D o o y e w e e r d had intussen zijn eigen ontwikkeling doorgemaakt.
D e gesprekken met Vollenhoven in h u n Haagse tijd lagen al lang achter hem, maar
hun gedachtewisseling over de soevereiniteit in eigen kring en over de geschiedenis
van de filosofie had de groei van zijn filosofische inzichten sterk beïnvloed."' In zijn
rechtsfilosofisch onderzoek was hij tot de ontdekking gekomen dat in elke filosofie
een bepaalde wetsidee aanwezig is. D e christelijke wetsidee die hij al in zijn inaugu-
rele rede had besproken, wilde hij verder uitwerken in een calvinistische filosofie.
H o e w e l Vollenhoven niet over een wetsidee sprak in de door D o o y e w e e r d geijkte
zin van het w o o r d , hadden beiden een o n t w e r p van z o ' n calvinistische filosofie voor
ogen, waarin een theorie van wetskringen een belangrijke plaats innam. In grote lij-
nen kwamen h u n inzichten met elkaar overeen, maar er waren ook verschillen, bij-
voorbeeld inzake h u n opvattingen over de tijd en de geschiedenis.
D e stof van Dooyeweerds colleges encyclopedie der rechtswetenschap en rechts-
filosofie stond onder de studenten aanvankelijk bekend als weinig toegankelijk.
O m d a t hem er alles aan gelegen was o m de studenten z o goed mogelijk in de stof in
te leiden en o o k met zijn calvinistisch-filosofische inzichten vertrouwd te maken,
nodigde hij hen uit o m tijdens de colleges vragen te stellen en met hem in discussie
te gaan - een destijds niet gebruikelijke uitnodiging, die de schroom van de studen-
ten dan o o k zelden k o n overwinnen. D o o y e w e e r d , aanvankelijk onzeker over zijn
kwaliteiten als docent, had het gevoel dat hij te weinig contact met hen had en vroeg
117 Vollenhoven, De noodzakelijkheid, pp. 89-98. In 7ijn later verschenen Hoofdlijnen der logica (1948) heeft
Vollenhoven de beginselen van de logica verder kritisch-filosofisch uitgewerkt en in verband gebracht met zijn
kentheorie. Zie ook zijn hagèg'e Phtlosophiae
118 Eerder schreef ik dat in die Haagse tijd Vollenhoven, mede dankzij zijn proefschriftstudie, Dooyeweerd
voor was met het ontwikkelen van calvinistisch-filosofische gedachten. In 1973 schreef Dooyeweerd dat in die
tijd 'Vollenhoven was philosophically better equipped than I was'. Waar Verburg schrijft: 'Al moet de wijsbe-
geerte der wetsidee een schepping van Dooyeweerd heten, onderschat mag niet worden de rol van Vollenhoven',
zou ik met betrekking tot het begin van de calvinistische filosofie de volgorde van die twee omkeren, met de
erkenning dat de naam wijsbegeerte der wetsidee inderdaad van Dooyeweerd kwam. Zie Dooyeweerd, 'Intro-
duction', p. 5, Verburg, Herman Dooyeweerd, pp. 88, 89. Ook Stellmgwerff, Vollenhoven, pp S'"57-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 2013
Publicaties VU-geschiedenis | 548 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 2013
Publicaties VU-geschiedenis | 548 Pagina's