Een handvol filosofen - pagina 161
Geschiedenis van de filosofiebeoefening aan de Vrije Universiteit in Amsterdam van 1880 tot 2012
6 S. U. Zuidema: m de greep van negatieve kritiek 157
sociologische en politicologische theo-
rieën trad dr. J. Blauw, hoogleraar niet-
westerse godsdiensten, in 1970 op als
tijdelijke vervanger. Over het vak wijs-
gerige achtergronden van economische
theorieën, dat Zuidema al sinds 1967
niet meer kon geven, werd gedurende
enkele jaren een literatuurtentamen af-
genomen, aanvankelijk door drs. J.B.
Overstegen en vanaf 1970 d o o r andere
medewerkers van de Centrale Inter-
faculteit, drs. S. Griffioen, drs. G.M.
Huussen en drs. B. Kee.''*
Zuidema kreeg bij zijn collega's en
studenten bekendheid en waardering
om de scherpzinnigheid waarmee hij
teksten analyseerde. Hij kreeg echter
o o k bekendheid o m zijn recensies met
vernietigende kritiek, zonder dat hij
voldoende besefte hoezeer hij anderen
daarmee kwetste. Verscheidene colle-
ga's die h u n werk d o o r hem gefileerd
S. U. Zuidema
zagen, konden geen waardering meer
opbrengen voor zijn scherpzinnigheid.
Zo schreef Zuidema in 1958 in Correspondentiebladen (van de Vereniging voor Cal-
vinistische Wijsbegeerte) een bespreking van het boek van de theoloog prof.dr. G.C.
Berkouwer, De mens het beeld Gods. Omdat het boek pastoraal geschreven was,
stelde hij de insinuerende vraag: 'Of het dan nog wel theologie is?'*' Ook vond hij
Berkouwers dogmatische bezinning onvoldoende en verweet hij hem een
"'humaniteits"-pastoraat', terwijl Berkouwer op meerdere plaatsten humanistische
mensbeelden had bekritiseerd.'" Zuidema verweet Berkouwer dat hij geen ruimte
zou bieden voor een christelijk-wijsgerige antropologie en in dat verband geen aan-
dacht had besteed aan Dooyeweerds 'wijsgerige anthropologic als structuur-leer van
het mens-zijn'.'" Berkouwers beschouwing was echter veelszins in de lijn van Dooye-
weerd. Bovendien had Berkouwer op verscheidene plaatsen uitgebreid aandacht aan
Dooyeweerds filosofie besteed.
Berkouwer, die de recensie onder ogen had gekregen, was pijnlijk getroffen door
de toon ervan. De insinuaties en onjuistheden die zij bevatte vond hij beledigend.
Waarschijnlijk hebben anderen Zuidema op zijn recensie aangesproken. Zag hij in
dat hij te uitdagend was geweest, zijn pen niet onder controle had gehad en te ver was
gegaan? Was hij te koppig om dat toe te geven? Het duurde tweeëneenhalf jaar voor-
dat hij in i960 in Correspondentiebladen een 'Verklaring' publiceerde: 'Naar aanlei-
ding van mijn "Aantekeningen bij Dr. G.C. Berkouwer ..." ... gevoel ik thans be-
68 Bestuur ciF, Notulen, 27 april 1970, in archief GIF, doos 8S.
69 Zuidema, 'Aantekeningen bij Berkouwer', p. 7.
70 Zuidema, 'Aantekeningen', p. 8.
71 Zuidema, 'Aantekeningen', p. 14.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 2013
Publicaties VU-geschiedenis | 548 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 2013
Publicaties VU-geschiedenis | 548 Pagina's