Een handvol filosofen - pagina 106
Geschiedenis van de filosofiebeoefening aan de Vrije Universiteit in Amsterdam van 1880 tot 2012
102 / / Nieuwe filosofische uitdagingen (1918-1^40)
jurist en verscheidene recensenten pre-
zen het als een fundamentele studie.'"'*
In het jaar voor zijn promotie was hij
benoemd tot waarnemend adjunct-in-
specteur bij de belastingdienst in Har-
lingen. Twee jaar later, in 1918, was hij
naar Leiden gegaan om adjunct-com-
mies te worden op de gemeentesecre-
tarie. Binnen een jaar verhuisde hij naar
Den Haag, waar hij was benoemd tot
hoofdcommies op het Departement van
Arbeid. In die tijd, rond 1918, was hij
begonnen met een intensieve studie van
de filosofie, in het bijzonder van rechts-
filosofische problemen. Hij was nog
ongetrouwd en al zijn vrije tijd besteed-
de hij aan zijn studie, waar hij dan ook
al ver mee was gevorderd toen zijn zwa-
ger Vollenhoven in 1921 in Den Haag
H. Dooyeweerd (schilden] door Willem kwam wonen
Dooyewaard) ^^^ gesprekken in het begin van de
jaren twintig waren voor beiden vrucht-
baar. Geïnspireerd door de gedachte van de soevereiniteit in eigen kring, kwamen
zij tot kentheoretisch en ontologische inzichten in de verscheidenheid van terreinen
van de werkelijkheid. Vollenhoven had een meer omvattende en gedetailleerde ken-
nis van de geschiedenis van de filosofie dan Dooyeweerd. Ook had hij meer inzicht
in kentheoretische onderscheidingen. Dooyeweerd had zich toegelegd op de rechts-
filosofie en in verband daarmee op kentheoretische en methodologische proble-
men. Hoewel Dooyeweerd aanvankelijk in de leer ging bij Vollenhoven, werden zij
steeds meer gelijkwaardige gesprekspartners, zeker als het ging over destijds veel-
besproken stromingen als het neokantianisme, de fenomenologie en het vitalisme.'"'
Het leven in den Haag beviel Dooyeweerd goed: zijn werk op het departement en
zijn studie gaven hem voldoening. Drie gebeurtenissen in die Haagse periode zou-
den aan zijn levensgeluk niet weinig toevoegen.
De eerste gebeurtenis vond plaats kort na het overlijden in 1920 van de voorma-
lige leider van de Antirevolutionaire Partij, Abraham Kuyper. Colijn was in dat jaar
voorzitter van de partij geworden - een praktisch ingesteld politicus, geen weten-
schapper, maar wel iemand die besefte dat zijn partij wetenschappelijke bezinning
nodig had voor het geven van politieke adviezen, zowel aan Kamerleden als aan lo-
kale en provinciale politici en bestuurders. Hij was in 1921 een van de oprichters
geweest van het wetenschappelijke bureau voor zijn partij, de Dr. Abraham Kuy-
perstichting. Omdat deze financieel kostbare en politiek-strategisch belangrijke
stichting niet mocht mislukken, liet Colijn zich door het stichtingsbestuur benoe-
men tot directeur. Hij was echter niet van plan er veel tijd aan te besteden; er moest
104 7,KVerh\ir%, Herman Dooyeweerd,-pp z6-ij.
105 Zie Tol, Philosophy in the Making, pp 263-309
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 2013
Publicaties VU-geschiedenis | 548 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 2013
Publicaties VU-geschiedenis | 548 Pagina's