Een handvol filosofen - pagina 154
Geschiedenis van de filosofiebeoefening aan de Vrije Universiteit in Amsterdam van 1880 tot 2012
150 IV Consolidatie en kritiek f/p^j-z^é^j
heel mijn leven naar gezocht heb, zó'n ervaring!''*'" De meeste studenten en ook ver-
scheidene collega's van VoUenhoven hadden echter een andere oordeel.'•^ Uit de no-
tulen van de senaatsvergaderingen en de correspondentie tussen de betrokken hoog-
leraren blijkt dat men geen bezwaren had tegen het filosofieonderwijs op zichzelf
als onderdeel van de universitaire opleiding en ook niet tegen het christelijk karakter
van dit onderwijs - integendeel -, maar men had wel bezwaar tegen VoUenhoven die
men om didactische redenen alles behalve een goede docent vond. Bovendien waren
de meeste studenten van oordeel dat Vollenhovens colleges geen enkele relevantie
hadden voor hun studierichting. Kennelijk wilden verscheidene faculteiten dat hun
studenten konden volstaan met een testimonium in plaats van zich in de zenuwen te
werken voor een tentamen waar ze weinig van begrepen en niets aan hadden.
Van Zuidema werd verwacht dat hij in staat zou zijn om de problemen inzake de
inleidingscolleges op te lossen. Hij werd in 1948 tot hoogleraar benoemd en zou de
propedeusecolleges geleidelijk van VoUenhoven overnemen. De voorgestelde re-
glementswijziging was van de baan, althans tot 1952. In dat jaar wilde het college
van directeuren aan de slepende kwestie een eind maken. Het college kwam met een
concept-herziening van het Reglement voor de Vrije Universiteit, waarin voor de filo-
sofische propedeuse werd bepaald dat kon worden volstaan met een testimonium in-
dien de colleges gedurende een jaar waren gevolgd - een continuering van de bestaan-
de situatie.'*' Van een tentamen werd met gerept, maar dat zou niet lang meer duren.
6 S.U. Zuidema: in de greep van negatieve kritiek
Het was na de oorlog voor zijn collega's duidelijk dat VoUenhoven met zijn vele
colleges en tentamens te zwaar belast was. Verlichting van zijn taken was noodza-
kelijk. Ook de curatoren zagen in dat er een tweede hoogleraar voor filosofie bij
moest komen. VoUenhoven had Zuidema voorgesteld, en zowel de hoogleraren van
de Faculteit der Letteren als de curatoren zagen in hem een geschikte kandidaat,
mede omdat hij de inleidingscolleges filosofie van VoUenhoven kon overnemen.
Zuidema presenteerde zich in 1948 aan de academische gemeenschap van de Vrije
Universiteit met het uitspreken van zijn inaugurele rede, getitield De mensch als
46 Interview met Klapwijk, in Puchmger, Honderd jaar Vrije Universiteit, p 210
47 De hoogleraar pedagogiek prof Watennk conespondeeide met VoUenhoven over de klachten die hij van
zijn studenten hoorde over de filosofiecoUeges Watennk schreef aan VoUenhoven 'J^ moet me niet vervelend
vinden, wanneer ik weer bij je terugkom op een kwestie, die reeds herhaaldelijk tussen ons werd besproken Je
weet dat het mijn wens is, dat de eisen voor geschiedenis van de philosophic zeer belangrijk worden inge-
krompen Maar nu krijg ik allerlei mededelingen, die erop duiden dat jij inderdaad wel van goede wille bent,
maar dat dit in de praktijk toch weinig uitwerkt Zo vertelde iemand mij, dat hij je geschreven heeft, wat hi) nu
moest doen voor geschiedenis van de philosophic en dat jij toen geantwoord hebt de hoofdlijnen uit mijn dic-
taat N u moet je toch zelf wel begrijpen dat hij daarvoor zeer aandachtig het hele dictaat bestuderen moet
voor iemand, die pas aan de stof begint, is zo'n dictaat een totaliteit, waar hij de hoofdlijnen uitpeilen moet
Nogmaals, ik ga nadrukkelijk uit van je goede wil. Amice, maar heus, het kan zo met' (Brief van 9 januari 1953,
in archief Watennk, geciteerd uit M Rietveld van Wingerden, ']An Watennk als docent', pp 109-110) In de
feestbundel die VoUenhoven bij zijn vijfentwintigjarig hoogleraarsjubileum in 1951 kreeg aangeboden, schreef
prof dr K J Popma 'en Gij kunt ingewikkeld betogen, zodat ook U w meer ingeleide leerlingen verbijsterd zit-
ten' (Popma in de inleiding van de aan VoUenhoven opgedragen Wetenschappelijke bijdragen, p 9 )
48 Archief college van curatoren, 7Vot«/£n, 9 februari 1952 Archief college van curatoren 1952, i t/m 12;, stuk
nr 53 Het herziene Reglement werd na ingewonnen advies van de senaat door de directeuren vastgesteld op 19
mei 1956, zie archief college van curatoren, Notulen, 2 juni 1956
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 2013
Publicaties VU-geschiedenis | 548 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 2013
Publicaties VU-geschiedenis | 548 Pagina's