Ridders van het recht. De juridische faculteit van de Vrije Universiteit 1880-2010 - pagina 51
De juridische faculteit van de Vrije Universiteit 1880-2010
grijpen in het sociaaleconomisch leven ook weer verband hield met zijn individu-
alisme en vrijheidszin.
Men wist dus bij de vu dat De Savornin Lohman wat minder strak in de leer
was, maar dat was geen beletsel geweest hem voor het professoraat te vragen. En
toen Lohman aarzelde of hij de stap wel zou wagen, had Kuyper er persoonlijk
bij hem op aangedrongen de benoeming ter wille van de Vrije Universiteit te
aanvaarden. Uiteindelijk was Lohman gezwicht voor alle aandrang die uit vu-
kring op hem was uitgeoefend, maar niet dan nadat hij zijn positie nog eens
principieel had gemarkeerd. Ook had hij bedongen dat hij lid van de Tweede Ka-
mer kon blijven. Zijn parlementaire werk beschouwde hij als een leerschool,
waar hij als hoogleraar in het staatsrecht en strafrecht baat bij zou hebben. Zo
was hij in 1880 lid geweest van de commissie van rapporteurs over het nieuwe 45
wetboek van strafrecht, terwijl hij in 1883/1884 deel uitmaakte van de staats- ö
commissie voor de grondwetsherziening. ^
De eerste zes jaar van Lohmans professoraat zijn betrekkelijk ongestoord ^
verlopen. Over zijn werk als docent is weinig bekend, maar men mag veilig aan- S
nemen dat hij de weinige studenten die er waren met zijn gebruikelijke ijveren w
nauwgezetheid heeft begeleid. Afgaande op het collegedictaat van een van zijn w
studenten waren zijn colleges 'overzichtelijk en systematisch, beknopt en hel- a
der'.^ De omgang met de studenten was persoonlijk en ongedwongen, zoals «
blijkt uit het artikel van Faber over het studentengezelschap QBDBD in deze 0
bundel. Onder Lohmans leiding kwamen in 1888 de eerste dissertaties aan de ^
Vrije Universiteit tot stand, waaronder die van zijn oudste zoon W.H. de Savornin »
Lohman, die op 27 april 1888 promoveerde op De kerkgebouwen van de Gerefor-
meerde (Hervormde) Kerk in Nederland. Zelf kwam hij in deze jaren niet tot grote «
publicaties, hoewel zijn later uitgegeven staatsrechtelijke handboek Onze consti- £
tutie (1901] voor een belangrijk deel als vrucht van zijn vu-tijd kan worden be-
schouwd. In 1887 verscheen zijn rectorale oratie De hoogste vrijheid, maar zijn
overige publicaties hadden betrekking op de politieke en kerkelijke actualiteit
van die dagen: grondwetsherziening, schoolstrijd en Doleantie. Lohman was
nauw betrokken bij de Doleantie van 1886, die leidde tot de uittocht van een
deel der orthodoxie uit de Nederlandse Hervormde Kerk. In een reeks kleinere
publicaties verdedigde hij hetkerkrechtelijkestandpuntvan de dolerenden. Sa-
men met zijn collega Fabius trad hij op als juridisch adviseur bij de processen
die in de jaren daarna over de kerkelijke goederen werden gevoerd.
In februari 1890 werd Lohman minister in het eerste coalitiekabinet van anti-
revolutionairen en rooms-katholieken onder leidingvan mr. Mneas baron Mac-
kay (1888-1891), nadat de antirevolutionaire ministervan Koloniën, mr. L.W.C.
Keuchenius, door de liberale Eerste Kamer was weggestemd. Tegen de wil van
Kuyper, die als antirevolutionair partijleider in zijn dagblad De Standaard had
geschreven dat Keuchenius niet zou kunnen vallen 'zonder heel het kabinet meê
te doen tuimelen','* besloot het kabinet dat alleen Keuchenius ontslag zou nemen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 2015
Publicaties VU-geschiedenis | 456 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 2015
Publicaties VU-geschiedenis | 456 Pagina's