Ridders van het recht. De juridische faculteit van de Vrije Universiteit 1880-2010 - pagina 114
De juridische faculteit van de Vrije Universiteit 1880-2010
levensberoving te vergelden met het doden van de dader. Calvijn en zijn volge-
lingen, tot aan Abraham Kuyper en B. Gewin toe, hadden deze interpretatie altijd
onverkort gehandhaafd, niet rimpelloos overigens.^^ Er waren nog meer Heilige
Schrift-passages waarmee zij hun uitleg konden onderbouwen, maar de genoem-
de twee teksten waren de belangrijkste.^^ Een moordenaar zou geen andere straf
dan de doodstraf mogen krijgen, niet zozeer omdat dit de doelmatigste sanctie
zou zijn, maar omdat het Gods wil was.^^
Willem Zevenbergen brak hiermee en schreef in zijn leerboek: 'Wat het laat-
ste [het calvinistische standpunt inzake de doodstraf] aangaat, o.i. is deze uitleg-
ging der Heilige Schrift niet zoo boven allen redelijken twijfel verheven, dat
daarop door den wetgever - ook een wetgever, die het gezag der Heilige Schrift
110 aanvaardt - als op een eeuwig onveranderlijke norm voor lederen wetgever en
|g onder alle omstandigheden kan worden voortgebouwd. [...] Naar onze opvatting
g is het zeer twijfelachtig of de doodstraf weer in eere dient te worden hersteld,
n Dat de invoering der doodstraf een onze staatsgemeenschap onvoorwaardelijk
bindende religieuze of zedelijke eisch is, [...] is o.i. niet zoo overtuigend aange-
w
o toond, als veelal door sommige voorstanders der doodstraf wordt beweerd.'^''
z Zevenbergen interpreteerde het calvinistische standpunt inzake de dood-
z straf als bevel iedere opzettelijke levensberover deze straf te laten ondergaan,
ongeacht diens motieven, persoonlijkheid en milieu, ook zonder rekening te
t3
O houden met de houding van het slachtoffer. Dat ging hem te ver. Overigens wil-
o
ö de hij de overheid niet het recht ontzeggen de doodstraf ooit toe te passen. Ook
^ was hij het niet oneens met het idee van vergelding als aanvaardbare strafgrond.
•« Maar hij vond dat de doodstraf dan eigenlijk wel - voor zover mogelijk - moest
voldoen aan de eisen voor alle andere strafmiddelen, zoals humaniteit, zedelijk-
heid, deelbaarheid, vergelijkbaarheid, individualiseerbaarheid en herstelbaar-
heid.^5 Eigenlijk onvervulbare eisen, en daarom was het voor Zevenbergen
moeilijk het automatisme van een doodstrafgebod te aanvaarden.
Bij het verschijnen van het leerboek, zomer 1924, een paar maanden voor
het ongenoegen over hem publiek zou worden gemaakt, had het vu-bestuur Ze-
venbergen al vermaand. Hij schreef kort na het verschijnen van zijn leerboek
aan zijn vriend en collega uit de faculteit der geneeskunde, F.J.J. Buytendijk^'':
'Van mijn geschrift ondervind ik weinig plezier. Van tijd tot tijd krijg ik regelma-
tig een knauw. Vooral dat dreigen met het ontnemen van je boterham doet mij
zeer pijnlijk en grof aan. Zouden ze waarachtig denken dat dat indruk op me
maakt, omdat ik geen vermogen heb? Het deprimeert me erg. Maar ik ga toch
voort mijn overtuiging te geven; ik zal de lui niet noodeloos krenken, dat mag
niet, maar ik eisch voor mij de vrijheid als wetenschappelijk man mijn overtui-
ging te zeggen, d.i. ook de mogelijkheid te dwalen.'^''
Deze tekst onthult dat Willem Zevenbergen verzeild was geraakt in een con-
flict tussen wat zijn werkgever van hem verwachtte en zijn wetenschappelijk ge-
weten. Het zou nog erger worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 2015
Publicaties VU-geschiedenis | 456 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 2015
Publicaties VU-geschiedenis | 456 Pagina's