Ridders van het recht. De juridische faculteit van de Vrije Universiteit 1880-2010 - pagina 122
De juridische faculteit van de Vrije Universiteit 1880-2010
verantwoordelijkheden bestonden maar ook sprake behoorde te zijn van saam-
horigheid en een gemeenschappelijk belang. Daarom behoorde volgens Gerbran-
dy een vergaande medezeggenschap van werknemers bij de aard van een bedrijf.
Hij stelde de vraag of Dooyeweerds interpretatie van de economische wetskring
niet eerder te maken had met het aanvaarden van bestaande maatschappelijke
verhoudingen dan met een kritisch-normatief inzicht in die verhoudingen. Ook
had hij kritische vragen bij de onderlinge relaties tussen de wetskringen. Dooye-
weerd bracht met zijn filosofische uitwerking van de calvinistische levens- en
wereldbeschouwing weliswaar zwaar geschut in stelling, maar duidelijk en over-
tuigend was zijn filosofie volgens Gerbrandy niet.^
I.A. Diepenhorst merkte later op: 'Wellicht dat op grond van dergelijke be-
118 zwaren bij Dooyeweerds oudere ambtsgenoten waardering bestond voor zijn in-
K spanning, bewondering voor zijn geleerdheid, maar van een wezenlijke bijval
hunnerzijdsnietkonwordengesproken.'^ Voor Dooyeweerds jongere collega's
gold hetzelfde, hetgeen blijkt uit de bundel Rechtsgeleerde opstellen, die Dooye-
^ weerd in 1951 kreeg aangeboden ter gelegenheid van zijn 25-jarig hoogleraar-
g schap, en waarin enkele leerlingen die zijn collega's waren geworden een bijdra-
ge schreven. W.F. de Gaay Fortman sloot zich aan bij de genoemde kritiek van
^ P.S. Gerbrandy en schreef dat Dooyeweerd 'jarenlang in de kring der christelijk-
" sociale beweging een bron van tweespalt zou zijn. Immers op gronden, ont-
- leend aan wat hij noemde de calvinistische wetsgedachte en het beginsel van de
g souvereiniteit in eigen kring, ontkende Dooyeweerd het recht der arbeiders om
m inzage van de bedrijfsboekhouding der particuliere onderneming te vragen.'^
w Jaren later merkte De Gaay Fortman over Dooyeweerds filosofie op: 'Het was
y vervelend en het zei me niks. [...] Ik zou niet meer kunnen navertellen wat het
S inhoudt.'^
I Ook in de andere opstellen van Dooyeweerds jongere collega's, S. Gerbrandy
» (de oudste zoon van de genoemde P.S. Gerbrandy), P.J. Verdam, I.A. Diepenhorst,
S A.M. Donner, is weinig tot geen affiniteit met zijn denken te bespeuren. Voor hen
gold in meerdere of mindere mate wat A.M. Donner in het begin van zijn opstel
schreef: 'Dooyeweerd huldigen is met Dooyeweerd discussiëren. Ook op hem,
die de denkbeelden van de jubilaris niet voetstoots aanvaardt en ten aanzien
daarvan meer of minder verstrekkende reserves maakt, heeft zijn onderwijs en
hebben zijn geschriften toch wel een zodanig beslag gelegd, dat men er zich,
soms tot eigen verwondering, meermalen op betrapt te spreken en denken in de
categorieën, ons door deze doctor systematicus bijgebracht.'^
De wijsbegeerte der wetsidee
Reeds in de jaren twintig en dertig waren er juristen van andere universiteiten
die Dooyeweerd hun kritiek niet spaarden: eigenzinnig jargon, onduidelijke be-
grippen, een kosmologie van wetskringen die uit hokjes bestond, verdediging
van een zelfgenoegzame calvinistische levens- en wereldbeschouwing, diskwali-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 2015
Publicaties VU-geschiedenis | 456 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 2015
Publicaties VU-geschiedenis | 456 Pagina's