Ridders van het recht. De juridische faculteit van de Vrije Universiteit 1880-2010 - pagina 272
De juridische faculteit van de Vrije Universiteit 1880-2010
de binding van het subjectieve recht aan een rechtsobject. Dooyeweerd, zei Ger
brandy al in zijn proefschrift en hij herhaalt het bijna zeventig jaar later tegen
schrijver dezes, heeft hem het denken geleerd. Gerbrandy zat later eens in het
Hof met twee andere raadsheren die toevallig ook bij Dooyeweerd hadden ge
studeerd: ook zij zeiden Dooyeweerd niet goed te hebben begrepen, maar dat zij
net als Gerbrandy zelf wel van hem denken hadden geleerd.
Dooyeweerd had dan wel weinig volgelingen in de faculteit, maar hij werd wel
gesteund. Tijdens het conflict dat Dooyeweerd eindjaren dertig met een aantal
theologen had werd Anema om advies gevraagd. Anema was niet ijverig genoeg
om veel gelezen te hebben; vermoedelijk kende hij de drie dikke delen over de
wijsbegeerte der wetsidee alleen van de buitenkant. Maar toen moest hij in een
268 paar dagen een oordeel geven over het werk van Dooyeweerd. Hij rapporteerde
Y' buitengewoon positief: dit was nu eens echt christelijke filosofie, waar de vu
S voor was opgericht.
a Gerbrandy werd in 1954 tot hoogleraar benoemd, als opvolger van N. Okma.^
2 Hij hield zijn oratie nog in hetzelfde jaar: Zaken zijn zaken! Ofniet?^ Het ging hier
< om de juridische status van de onderneming. De eigendom van de onderneming
t^ is meer dan de optelsom van de eigendom van alle lichamelijke goederen die er
2 toe behoren. Hoe zit het dan met het vruchtgebruik op de handelszaak? En met
p de handelszaak als verhaalsobject? Net als in zijn proefschrift begeeft Gerbrandy
^ zich naar de grenzen van wat toen (oud BW) nog zakenrecht heette. Zijn pre
^ advies voor de Nederlandse Juristenvereniging in 1966 behandelde dezelfde the
ö matiek.^
o
g Als wetenschapper heeft Gerbrandy zijn sporen met name aan de grenzen
H van het recht verdiend. Zo vroeg hij als eerste of in ieder geval een der eersten in
ons land aandacht voor persoonlijkheidsrechten: het recht op een zekere be
scherming van de privépersoon. Het ging dan om eer en goede naam, maar ook
om het recht dat wat privé is privé blijft. Dat recht, meende Gerbrandy, was nog
in ontwikkeling, maar het was een ontwikkeling die hij zeker toejuichte.'' In de
zelfde sfeer moeten we Gerbrandy's loopbaanlange belangstelling voor auteurs
recht zien, die hem tot een van de gezaghebbende auteurs op dit gebied maakte.
Leerlingen als RW. Grosheide, J.H. Spoor en N. van Lingen ging hij voor. In 1988
verscheen ziin Kort commentaar op de auteurswet igiz.^ Dit boek bouwde in zeke
re zin voort op het in 1973 door Gerbrandy bewerkte commentaar van H. Pfeffer,'^
maar diverse wijzigingen in de auteurswet en de Berner Conventie noopten tot
een nieuwe benadering. In 1992, op een leeftijd waarop anderen al lang in ruste
zijn, verscheen nog zijn hoek Auteursrecht in de steigers.''
Ook over andere onderwerpen bleef Gerbrandy tot op hoge leeftijd publice
ren. In 1998 verscheen De andere kant van de maan, waarin hij de rechtspraak van
het Europese Hof voor de Rechten van de Mens kritisch onder de loep nam. In
terpretatie is uitstekend, maar 'het is volstrekt onaanvaardbaar als het Verdrag
zelf wordt aangevuld met regels die het niet bevat (zij het dat het misschien
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 2015
Publicaties VU-geschiedenis | 456 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 2015
Publicaties VU-geschiedenis | 456 Pagina's