Ridders van het recht. De juridische faculteit van de Vrije Universiteit 1880-2010 - pagina 93
De juridische faculteit van de Vrije Universiteit 1880-2010
zijn eigen autoriteit, maar vooraf is door hem advies gevraagd van den leden van
den senaat individueel en het meerendeel van de leden van den senaat heeft
toen persoonlijk aan den rector den raad gegeven de inschrijving te doen plaats-
vinden, omdat naar h u n oordeel de reglementaire bepalingen deze inschrijving
niet verboden. Voorts zou de senaat gaarne van heeren directeuren vernemen op
welke gronden de senaat verplicht zou moeten worden geacht, gesteld dat zoo-
danig besluit genomen was, de gronden of motieven daarvan aan heeren direc-
teuren te moeten meedeelen.'^
De senaat gaf dus geen krimp, al doet de manier waarop hij zich met de spits-
vondigheid van het 'persoonlijke advies' buiten schot trachtte te houden weinig
elegant aan. In elk geval waren directeuren voor een voldongen feit geplaatst en
restte h u n niets anders dan er zich bij neer te leggen. Er kwam ook geen schrif- 89
telijke reactie meer op de brief van Kuyper. Wel kon Woltjer in de senaatsverga- a
deringvan 15 december 1905 melden, dat hij van directeuren had vernomen 'dat ^
inzake de inschrijving eener vrouwelijke studente de heeren directeuren erken- ^
den, dat in het reglement geen grond was om in deze zaak den senaat rekenschap en
van zijn besluit te vragen, maar dat zij meenden, dat deze inschrijving een quaes- g
tie van belang was ook voor den indruk naar buiten en het daarom zeker wen- "
schelijk ware geweest, directeuren van deze inschrijving kennis te geven'." m
w
O
Het referaat van H.H. Kuyper ö
De woorden 'voor den indruk naar buiten' geven duidelijk aan waar de directeu- ^
ren zich zorgen om maakten. De Vrije Universiteit was als niet door de overheid ^
gesubsidieerde instelling voor haar financiering geheel afhankelijk van de achter- ?
ban, de ledenvan de Vereeeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden «
Grondslag. Deze zagen er nauwkeurig op toe dat de calvinistische beginselen aan £
de Vrije Universiteit in ere werden gehouden. Veronderstelde beginselverzaking
kon licht met dalende contributies en collecteopbrengsten worden afgestraft.
Wat voor indruk zou het maken op de gereformeerden in den lande als de toela-
tingvan vrouwelijke studenten, die in 1898 door Geesink nog als strijdig met de
ordeningen Gods was veroordeeld, nu opeens wel geoorloofd bleek te zijn? Het
was duidelijk dat de inschrijving van mej. 't Hooft aan de Vereeniging moest
worden uitgelegd. Die taak werd opgedragen aan prof. H.H. Kuyper, die op de jaar-
vergadering van de Vereeniging op 5 juli 1906 te Middelburg een referaat hield
over 'Vrouwelijke studenten'.
H.H. Kuyper was de oudste zoon van Abraham Kuyper en behoorde tot de
jongere leden van de senaat. Hij was in 1891 als eerste student in de theologie
(magna cum laude) gepromoveerd aan de vu en was in 1899 tot hoogleraar in het
kerkrecht benoemd. Hij gold als een veelbelovend theoloog en zou tot aan zijn
emeritaat in 1936 aan de vu en in de Gereformeerde Kerken vooral optreden als
hoeder van het erfgoed van zijn vader. Kuyper bleek de gereformeerde casuïstiek
uitmuntend te beheersen en schroomde ook niet om de tale Kanaans te gebrui-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 2015
Publicaties VU-geschiedenis | 456 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 2015
Publicaties VU-geschiedenis | 456 Pagina's