Ridders van het recht. De juridische faculteit van de Vrije Universiteit 1880-2010 - pagina 225
De juridische faculteit van de Vrije Universiteit 1880-2010
Romeins recht en Nederlandse rechtsgeschiedenis om daarnaast zitting te ne-
men in de Eerste Kamer. Toen De Gaay Fortman bedankte voor de opvolging van
C.Th.E. graaf van Lynden van Sandenburg lag voor Verdam de weg open naar de
benoeming tot commissaris van de koningin in Utrecht, het ambt dat hij van 16
maart 1970 tot 1 maart 1980 heeft bekleed, om daarna nog zes jaren werkzaam te
zijn als lid van de Raad van State in buitengewone dienst (1980-1986).
LA. Diepenhorst (1916-2004)^
LA. Diepenhorst was zoon van G.A. Diepenhorst (1889-1969), van 1937 tot 1946
Tweede Kamerlid voor de Antirevolutionaire Partij, en S.R. Mulder (1891-1986),
met wie hij tot haar overlijden tezamen het ouderlijk huis te Zeist bleef bewonen.
Zijn jongere broer, A.L Diepenhorst, was hoogleraar bedrijfshuishoudkunde in 221
Rotterdam. De jongste overleed enkele weken vóór de oudste van beide broers. w
Hij was een neef (oomzegger) van RA. Diepenhorst, vu-hoogleraar en lid van de J«
Eerste Kamer, en een neef van LN.Th. Diepenhorst, Tweede Kamerlid voor de g
Christelijk-Historische Unie en staatssecretaris. Later zou hij als aangetrouwde *
neef geparenteerd raken aan A.M. Donner, die eveneens in de naoorlogse golf van Hij
hoogleraarsbenoemingen aan de v u een leerstoel verwierf. ^^
In 1934 ging Diepenhorst studeren in Amsterdam, a a n de v u . Na drie jaar 2
legde hij het doctoraalexamen in de juridische faculteit af, n a r u i m vijfjaar het w
kandidaatsexamen in de theologie, niettegenstaande een baan als assistent bij >
proL Rutgers. Het onderwerp van zijn, in 1943 verdedigde, proefschrift Histo- o
risch-kritische bijdrage tot de leer van de christelijke staat heeft Diepenhorst nooit %
losgelaten. Vanaf het begin stelde hij zich te weer tegen art. 36 van de Nederland- 2;
se Geloofsbelijdenis, dat de overheid opdraagt 'de heilige dienst van de kerk te ^
beschermen, en te bevorderen dat het koninkrijk van Jezus Christus komt en «
het Woord van het evangelie overal gepredikt wordt, zodat God door ieder geëerd =f"
en gediend wordt'. Naar de overtuiging van Diepenhorst laadde dat artikel een te •^
ruime taak op de schouders van de overheid en bewaarde het te weinig het zelf- o
standige karakter van de kerk. Niet onverenigbaar daarmee achtte hij overigens
de bezoldiging van predikanten door de overheid, naar bleek toen hij (in 1972,
wederom lid van de Eerste Kamer) op grond van de in zijn studie De verhouding
tusschen kerk en staat in Nederland'' ontwikkelde argumenten tegen het voorstel
tot schrapping uit de grondwet van het toenmalige artikel 178 stemde (evenals
zijn fractiegenoten De Gaay Fortman en Tjeerdsma). Diezelfde gedachte over de
verhoudingvan kerk en staat ontwikkelde hij in zijn inaugurele rede over Religie-
delicten, waarin hij stelde dat het wereldlijke zwaard nimmer de religieuze waar-
heid zou moeten handhaven, met dien verstande dat er niets tegen is om gods-
lastering strafbaar te stellen, wanneer zij door haar smalende karakter de
godsdienstige gevoelens van anderen kwetst. De overheid oordeelt niet over ge-
voelens [de internis non iudicat praetor], slechts over daden, gekwalificeerd door
hun gevolgen.
/'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 2015
Publicaties VU-geschiedenis | 456 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 2015
Publicaties VU-geschiedenis | 456 Pagina's