Ridders van het recht. De juridische faculteit van de Vrije Universiteit 1880-2010 - pagina 227
De juridische faculteit van de Vrije Universiteit 1880-2010
kenis, recht hadden op uitkering wegens daden van verzet. Zij beschouwden im
mers in het zicht van het nabij geachte duizendjarig vredesrijk de aardse staat als
een macht uit de afgrond, zodat aannemelijk is dat het niet zozeer vaderlands
lievende drijfveren waren die de grondslag van de verzetsdaden van Jehova's ge
tuigen vormden. Diepenhorst oordeelde echter dat het doorslaggevende criterium
de verzetshandeling zelf diende te zijn, en dat die als zodanig objectief beoor
deeld diende te worden, niet aan de hand van de innerlijke godsdienstige over
tuiging van degene die zich tegen de nazi's te weer stelde: 'Derhalve zullen als
regel de Jehova's getuigen een uitkering dienen te ontvangen. Zij hebben vanwe
ge hun de vaderlandse zaak ten goede gekomen religieuze offerbereidheid iets
beters verdiend dan ontzegging van iedere geldelijke steun.' Ook in i960 heeft
hij zich als lid van de Eerste Kamer (bij de behandeling van Boek 2 van het Ont 223
werp Burgerlijk Wetboek]' over de verhoudingvan kerk en staat uitgelaten. Hij »
bepleitte toen, zij het tevergeefs, een verdergaande onafhankelijkheid van de J«w
kerken dan is neergelegd in artikel 2:2 BW: '[Kerkgenootschappen] worden gere g
geerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet.' Naar zijn g
mening zou de eigen aard van het kerkgenootschap met zich moeten brengen ^
dat de staat (de rechter) het statuut ervan eerst dan als niet bindend beschouwt ^
wanneer het in strijd komt met de openbare orde ('het fundamentele gemene ^
recht') of de goede zeden, niet reeds als enkel sprake is van strijd met de wet. Deze w
nadruk op de eigen aard van het kerkgenootschap geeft aanleiding te vermoeden >
dat het thans van de zijde van D'66 gehoorde streven naar opruiming van de 0
laatste restanten van het christendom uit het openbare leven, zoals de voorge ^
stelde afschaffing van de zondagswet, het verbod van de koppeling tussen de ge z
meentelijke basisadministratie en de kerkelijke ledenadministratie (onder ^
handhaving van diezelfde koppeling voor de NS) en het verbod op de gewetens ^
bezwaarde trouwambtenaar tot geharnaste bestrijding van de kant van Diepen 'f
horst zou hebben kunnen rekenen. £
00
'Een staatsman niet, een Evangeliebelijder.' Deze zinspreuk van Groen van o
Prinsterer lijkt ook Diepenhorst raak te typeren. De invloed van Groen in het werk
van Diepenhorst is groter geweest dan op het eerste gezicht wel wordt aangeno
men. Ofschoon hij reeds in zijn herdenkingsrede aangaande Fabius (1951) waar
schuwde voor kritiekloze verering, heeft Diepenhorst toch in zijn opstel over
Groen van Prinsterer en de 'Revolutie'van die invloed een begin van verantwoor
ding afgelegd, toen hij opmerkte dat Groen 'de betekenis van beginselen eerder
dan anderen begreep, van de revolutie wezenlijke merktekens onderkende, en
de problematiek der verhouding tussen Openbaring en historie niet heeft ge
schuwd'.^"
Van het gedachtegoed van Groen was hij ook via zijn oom RA. Diepenhorst
op de hoogte geraakt. Gedurende zijn studententijd verbleef Diepenhorst ten
huize van zijn oom. De dagelijkse omgang heeft de jonge neef op minstens twee
terreinen blijvende impulsen voor zijn denken gegeven, allereerst door hem met
/
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 2015
Publicaties VU-geschiedenis | 456 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 2015
Publicaties VU-geschiedenis | 456 Pagina's