Bekijk het origineel

Revue 1998 - pagina 2

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Revue 1998 - pagina 2

3 minuten leestijd

vu hïstorique Het Paedologisch Instituut

Instituten gaan en instituten komen aan de universiteit. Ze dienen vaak een tijdelijk belang van de wetenschap of van de samenleving, en soms van beide. Dat was vroeger niet veel anders. De Vrije Universiteit bezat vanaf 1917 in Amsterdam een instituut - het fysiologisch laboratorium -, gevestigd in een statig pand aan het Valeriusplein, op de hoek van de De Lairessestraat. Het laboratorium had het begin moeten worden van een medische faculteit, maar dat bleek in de jaren twintig in financieel opzicht een stap te ver voor de VU. De twee medische hoogleraren vertrokken naar rijksuniversiteiten, die hen althans in wetenschappelijk opzicht meer perspectief boden. Ze lieten het laboratorium in 1925 leeg achter. Dit gevoelige verlies voor de universiteit veranderde vijfjaar later in winst. Na het mislukte medische faculteitsplan, sloeg de VU in 1929 een andere, goedkopere weg tot uitbreiding in met de benoeming van prof. dr. j. Waterink (l 890-1966) tot hoogleraar voor de pedagogiek en psychologie. Met hem slaagde de universiteit beter dan met haar eerste medici. Waterink combineerde academische vaardigheden met een groot praktisch vernuft en een energiek optreden. Hij had toen al het psychotechnisch laboratorium van de VU onder zijn beheer, dat vooral bekend was vanwege zijn beroepskeuzeadviezen. Maar Waterink zag ruimere perspectieven. "Ik kan geen pedagogiek doceren als ik niets met kinderen kan doen", zei hij eens. Hij voegde de daad bij het woord door kort na zijn aantreden een gedurfd plan van de mede door hem bestuurde christelijke vereniging voor gehandicapten voor te leggen aan de universiteitsbestuurders: de instelling van een pedologisch instituut voor onderzoek naar het zwakzinnige en afwijkende kind, compleet met internaat, school, collegezaal en laboratorium. In de financiering was door hem grotendeels reeds voorzien; de Vrije Universiteit hoefde alleen maar het leegstaande laboratorium aan het Valeriusplein ter beschikking te stellen. De Vrije Universiteit ging akkoord en op 15 januari 1931 opende het Paedologisch Instituut zijn poorten. De universiteit verkreeg zo zonder veel moeite een

instituut, dat qua opzet en onderzoek zeer vooruitstrevend was en uniek heette in Europa. Alleen in Boedapest bevond zich iets dergelijks. De teleurstelling over de mislukking van het fysiologisch laboratorium werd dankzij Waterinks initiatief snel overwonnen. De pedagogiek stond destijds in Nederland nog in de kinderschoenen, maar het instituut van Waterink zou een flinke stimulans geven aan het onderzoek en onderwijs op dit vakgebied. Het verhaal van de beginjaren van het Paedologisch Instituut is een 'success-story', die meer Amerikaans dan Nederlands aandoet. Al spoedig bleek het voormalige laboratorium te klein. Op handige wijze slaagde Waterink erin het gebouw van het Blindeninstituut aan de Vossiusstraat te verwerven voor het Paedologisch Instituut. Het was voor de kleine, ongesubsidieerde universiteit een groots moment, toen op 26 mei 1933 dit nieuwe onderkomen werd geopend door niemand minder dan prinses Juliana. Het Handelsblad schreef vol lof over Waterinks 'grootsch werk' en - wat voor de wetenschappelijke status van de universiteit natuurlijk van meer belang was - ook de tachtig vakgenoten (buitenlandse hoogleraren, doctores en medici), die het instituut aan de Vossiusstraat in de beginjaren aandeden, waren vol lof en soms zelfs jaloers. Waterink is dertig jaar directeur geweest van het Paedologisch Instituut en heeft met dit werk naam gemaakt als practicus met een groot intuïtief vermogen. Dat er met name na de Tweede Wereldoorlog wel bezwaar rees tegen de geringe wetenschappelijke onderbouwing van zijn werk en het beheer van het instituut, doet niets af aan Waterinks betekenis voor dit instituut en voor de beeldvorming van de Vrije Universiteit in de gehele Nederlandse samenleving. Zijn opvolger op het Paedologisch Instituut noemde Waterink een geboren optimist en een inspirerend docent en collega. Aan deze eigenschappen dankt de Vrije Universiteit een van haar opmerkelijkste instituten, dat - het mag karakteristiek heten voor Waterink én voor de Vrije Universiteit - zijn kennis en vaardigheid ten dienste heeft gesteld van zijn naaste. George Harinck.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

Revue | 104 Pagina's

Revue 1998 - pagina 2

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

Revue | 104 Pagina's

PDF Bekijken