Studentenalmanak 1901 - pagina 198
L I E F D E .
s^|\ iet de stormwind, die loeit,
QJ^ Niet woestijnzand, dat gloeit,
Niet de zee in zijn machtig, grootsch bruisen,.
Maar de zephir in 't stil, lieflijk mischen,
Is 't beeld van haar woord.
Niet de IJspool zoo ver,
Niet de flonkrendste ster,
Niet de blad'ren — getooid, fiere eiken,
Niet de machtigste, krachtigste rijken,
Zijn waard als haar woord.
Maar een ruischen zoo zacht,
Maar de stem van de nacht.
Maar het kabblen, het lisplen der beeken
Die, maar die, die alleen ook geleken,
Die geleken haar woord.
En wat was dan haar woord?
Ik alleen heb 't gehoord,
Toen ze fluisterde in 't oor mij heel zachtjes,
Na veel traantjes, veel zuchtjes, veel lachjes:
„Ja ik, ik min u weer!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1901
Studentenalmanak | 254 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1901
Studentenalmanak | 254 Pagina's