Studentenalmanak 1908 - pagina 125
119
Zij was de zoele lente, zoete meimaand,
Waarin het lied ontwaakt en meerlezangen.
Zij was een zonnig, vreugdig, vroolijk meisje.
*
En als op stillen avond, in de scheemrmg,
In blauwe lucht de gele manesikkel
Verscheen en 't laatste gloên der toppen doofde.
En als de sterren één voor één ontloken,
Als bloemen op een schoonen lentedag;
Dan zat zij voor de hooge bogevensters
T e luistren naar den zoeten zang der zefirs.
Die suisden weemoedvol door 't boomeloover;
Dan zat zij als godinne in 't tooverland;
Dan geurden sterk de donkerroode rozen;
Dan zweefde 't zomerwindje door de gaarden,
Dan zongen appelboomen zomerzangen,
Dan fluisterden de zachte nachtgeluiden,
En overal was zomerpoëzie.
* *
Eens op een avond kwam langs 't meer een jongling;
Hij kwam uit donkre, droeve dennewouden;
Zijn gang was statig als de gang eens priesters,
Die langzaam op het offeraltaar toetreedt.
Zijn regelmatige afgemeten stap
Weerklonk als 't tikken van een oude hangklok.
Waarvan de trage wijzer langzaam voortschrijdt.
En onder 't hooge bogevenster van 't kasteel,
Daar zette hij zich neer op groenen grond,
Begroeid met 't hooge gras, met slanke stengels:
Daar bloeiden schoon de blauwe en blanke bloemen.
Het paars viooltje en de witte lelie.
Hij tokkelde dan wondervol zijn harp
En zong in rijke klanken liefdeliedren,
En legde in die zangen gansch zijn ziel.
Terwijl de maan en sterren zich weerkaatsten
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Studentenalmanak | 170 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Studentenalmanak | 170 Pagina's