Studentenalmanak 1909 - pagina 140
134
Toen begon ze op eens te vertellen, dat ze het Lied
der Smart van Van Eeden zoo mooi vond. Ook ik vond
Ellen mooi.
Lang praatten we er over. Over het Lied van Verlangen,
over de Nachtliedjes. Over den droom van het Leven, als
een groot, groen bosch
Weer gingen wij naast elkaar, een heel poosje, zonder
te praten.
Ik luisterde naar de golfjes, die weer kwamen aan-
vluchten, omdat ze bang waren van een boot die voorbij
voer en boos waren ze nu, omdat de oever hen tegen-
hield.
Toen zei ze, alsof ze al dien tijd had nagedacht, en nu
zeker wist:
»Ja, Van Eeden heeft gelijk. Als er een God is, dan
is God zelf Smart«.
Ik weet niet waarom, maar ik schrikte en zonder er
bij na te denken, vroeg ik haar, of ze in de Joodsche
Liederenschat wel eens gelezen had die honderddertigste
zang van dien Dichter, die ook Koning was.
Toen begon ze te lachen en zeide:
»Je bedoelt toch niet . . . . ? <
Ja, dat bedoelde ik en zij — lachte er om.
Toen voelde ik 't opeens, zoo heel pijnlijk en duide-
lijk, wat dat »andere, dat heel belangrijke« was, waarom
ik haar nooit durfde zeggen, dat ik zooveel van haar hield.
En ik bleef stilstaan en zij ook, want ze begreep, dat
ik iets heel ernstigs te zeggen had.
Toen zei ik haar, waarom we nooit van elkaar konden
worden.
Eenvoudig zei ik 't. Zonder omwegen,
Zooals 't was. Eerlijk.
Maar ze begreep niet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Studentenalmanak | 184 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Studentenalmanak | 184 Pagina's