Studentenalmanak 1910 - pagina 135
127
zitten, wanneer het zoo angstig stil om haar heen is,
wanneer ze niet meer als vroeger, zoodra ze maar zat,
voelt het kinderhandje, zich klemmend aan moeder, wanneer
ze ook niet meer haar zien kan, zij het slechts het zielloos
omhulsel, dan, dan begrijpt ze het zoo ten volle, zoo diep
pijnlijk, dat er voortaan zal zijn een ledige plaats in haar huis,
* *
Hoe anders nog maar luttele dagen, enkele weken
geleden.
Toen was ze nog geweest het vroolijke, door huis
dribbelende kleintje.
Toen had zij met haar gebabbel, haar lach, moeder
den dag verkort, ja doen omvliegen, als vader uit en de
kinderen naar school waren.
Toen had nog vader haar bij zijn thuiskomst op de
knie genomen-, hadden de broertjes en zusje met haar
gespeeld, onvermoeid; in één woord, was zij de lieveling
van al de huisgenooten.
Toen had nog ieder haar bewonderend even gadegeslagen:
want zij was mooi, heel mooi.
Ach, hoe waren plots die helderblauwe kijkers als met
een nevel omfloerst geworden!
Hoe had eensklaps al haar vroolijke bedrijvigheid
plaats gemaakt voor moeë lusteloosheid!
Moeder had haar in 't bedje gelegd.
Ze had »kou gevat«, meenden de menschen.
Want de winter was al gekomen en het sneeuwde
reeds buiten.
Maar ondanks de teederste zorgen en maatregelen werd
het niet anders, niet beter.
De dokter werd geroepen en stelde gerust, volkomen
gerust schier.
Vader — als meest, van huis, ver weg — behoeft niet
geseind.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Studentenalmanak | 202 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Studentenalmanak | 202 Pagina's