Studentenalmanak 1911 - pagina 286
270 FARRAGO
verteerd geweten, de wanhoopstrekken van den dood, de
worsteling van den armen visscher op den oceaan. Dan
hoorde hij het kermen der gewonden op het slagveld, de
kreten der ongelukkigen in ziekenhuis en op sterfbed, ja
dan dacht hij aan al de smart waaronder mensch en dier
op de gansche wereld zucht dan dacht hij aan eigen leed
en aan eigen droefheid, en waar zou hij eindigen?
Zie, dit alles gaf hem geen rust, integendeel deed hem
voortjagen om te zoeken of ook anderen hem niet een
oplossing voor dit alles konden verstrekken.
Zijn eigen pogingen hadden slechts zijn kommer
vermeerderd. Zijn denken hadden slechts de vraagteekens
doen verdubbelen. Wist niemand het dan?
De natuur?
Maar — deze ervaring had hij reeds opgedaan bij zijn
vruchteloos pogen — zij zou niet meer en dieper tot hem
spreken, zij zou hem wezenloos blijven aanstaren. Bij haar
heil te vinden verwachtte hij dan ook reeds lang niet meer.
En de vogels en de bloemen?
Zij bewaarde — als zij het wisten — angstvallig
hun geheim.
En de menschen . . . ?
Wist hij niet dat Een geleerd had:
»Kom tot mij«, en: »Mijne gedachten zijn hooger dan
ulieder gedachten en mijne wegen zijn hooger dan de uwe.« ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Studentenalmanak | 340 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Studentenalmanak | 340 Pagina's