Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Studentenalmanak 1912 - pagina 158

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Studentenalmanak 1912 - pagina 158

2 minuten leestijd

150 FARRAGO

vermelden, daar niemand aan de waarheid van het bericht

kon twijfelen. Honderdtallen van feiten worden vermeld

zonder opgave van eene bron. Trouwens wat zou er van

de geschiedschrijving worden, wanneer van elk onbetwist

feit toch telkens de bron, ja de vele bronnen, waaruit de

kennis ervan geput is, moest worden vermeld !

Uitvoeriger dan Tacitus spreekt zijn eenige jaren na

hem geboren vriend Plinius de jongere, geboren 62 n. Chr.,

over Christus en de Christenen. Toen hij omstreeks 112

stadhouder was in Bithynië, schreef hij eenen brief aan

keizer Trajanus om te vragen, hoe hij ten opzichte van

de Christenen, wier getal zich zeer sterk had uitgebreid,

moest handelen.

De tijd waarover Plinius schrijft is dus ongeveer 50 jaren

later dan de tijd, waarover Tacitus handelt; Plinius is oog-

en oorgetuige geweest van wat hij aan den keizer schrijft;

toen in 64 Rome voor een groot deel in de asch werd

gelegd, was Tacitus een knaap van ongeveer l o jaren; de

naam Christenen was toen, zooals hij zegt, nog slechts bij

de lagere volksklassen in gebruik. Plinius schrijft aan keizer

Trajanus over de Christenen als eene wijd verspreide ook

bij den keizer bekende secte, die het reeds zoover gebracht

had, dat de tempels bijna verlaten waren.

Hij schrijft dan in den XCVIsten brief (ed. Keil): „Ik

heb nooit gerechtelijke onderzoekingen betreffende de

Christenen bijgewoond: daarom weet ik niet, wat en in

hoeverre men gewoon is of te straffen of te onderzoeken.

En niet weinig heb ik geaarzeld, of men eenig onderscheid

maken moet wat den leeftijd aangaat, of wel ook de ten-

gersten niet anders dan de sterkeren behandelen, of men

vergiffenis moet schenken, wanneer er berouw is, of dat

het hem, die te eeniger tijd Christen is geweest, niet moet

baten, dat hij opgehouden heeft het te zijn, of men den

naam alleen, wanneer er geene misdaden bijkomen, of

wel de misdaden, die met den naam samengaan, moet

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Studentenalmanak | 242 Pagina's

Studentenalmanak 1912 - pagina 158

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Studentenalmanak | 242 Pagina's