Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Studentenalmanak 1912 - pagina 157

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Studentenalmanak 1912 - pagina 157

2 minuten leestijd

FARRAGO 149

etiam, quo cuncta undique atrocia aut pudenda confluunt

celebranturque". Daarop volgt de beschrijving van de

wreede vervolging der Christenen.

Op enkele punten in deze merkwaardige plaats vestig

ik nader de aandacht. Zooals Suetonius in de hierboven

besproken plaats den godsdienst der Christenen eene

malefica superstitio noemt, zoo zegt Tacitus hier, dat zij

wegens hunne schanddaden gehaat waren. Verder verklaart

hij dat de lagere volksklasse, het vulgus, dus niet de

hoogere standen, hen Christenen noemde, dat die naam

afkomt van Christus, dien hij zoo ondubbelzinnig, als slechts

mogelijk is, beschrijft als eenen historischen persoon, daar

hij opgeeft den tijd, wanneer, de wijze, waarop en den

Romeinschen landvoogd, onder wien hij gestorven is of

liever de doodstraf ondergaan heeft. Zonder twijfel heeft

de belangrijkheid van het feit, waarover hij uitvoerig bericht

geeft, de brand van Rome in 64, en de daaruit voortge-

komen wreede vervolging der Christenen, die zelfs in Rome

medelijden verwekte (unde. . . miseratio oriebatur, einde

van cap. 44) hem aanleiding gegeven, uitvoeriger over

Christus te spreken, dan hij anders gedaan zou hebben.

Hij kan echter niet nalaten tegelijk zijnen afkeer van den

godsdienst der Christenen zoo sterk mogelijk uit te spreken;

hij is niet slechts, als bij Suetonius, eene malefica, maar

eene exitiabilis superstitio, een doodelijk, ten ondergang

voerend bijgeloof, hij is een ramp (malum); hij behoort

tot die gruwelen of schandelijkheden, die van alle kanten

in Rome samenvloeien en daar opgang maken.

Tegen de echtheid dezer merkwaardige plaats is absoluut

niets in te brengen. Toch tracht men hare beteekenis te

verzwakken door de opmerking, dat de bron waaruit

Tacitus zijn bericht aangaande Christus geput heeft niet

wordt opgegeven en ons onbekend is. Deze opmerking

beteekent echter volstrekt niets. Tacitus spreekt zóó posi-

tief, dat hij klaarblijkelijk niet noodig vond eene bron te

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Studentenalmanak | 242 Pagina's

Studentenalmanak 1912 - pagina 157

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1912

Studentenalmanak | 242 Pagina's