Studentenalmanak 1913 - pagina 193
FARRAGO 179
En daar sleepten zij een slede
Door de staldeur in het licht.
Dood lag daar Marije neder,
Bleek en stijf het lief gezicht.
'n Leekebloem prijkt' op haar boezem.
Aak'iig pronksel van den dood.
En haar mooie roode lippen
Waren nu zoo blauw als lood.
»God mag eischen!« riep toen vader.
Starend op het lijk ter neer,
»Haar, mijn lust mijn levensvreugde«
Moet ik geven aan den Heer!«
Jammerlijk was zij verdronken,
Ids mocht nauw den dood ontvlien.
Kort daarop is hij verdwenen
En in 't dorp niet meer gezien.
Naast den ouden grijzen toren
Groef men haar de laatste spond.
En de kist werd neergelaten
in den killen vochten grond.
En de zware klokken bromden
Verre over 't veld de maar.
Niemand of hij was bewogen,
Want een ieder kende haar.
Vader toch, zijn woord gedachtig,
Weende bij de groeve niet.
Maar het knaagde aan zijn leven
En hij stierf van zielsverdriet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1913
Studentenalmanak | 238 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1913
Studentenalmanak | 238 Pagina's