Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Studentenalmanak 1916 - pagina 134

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Studentenalmanak 1916 - pagina 134

2 minuten leestijd

118 FARRAGO

't Voor en tegen kon hier met klem van redenen worden

bepleit. Maar de meest eenvoudige opvatting dient zich

hier o. i. als 't meest aannemelijk aan.

Plato heeft de teekening van een ideaal-staat ons ont-

worpen, gelijk elk denker, elk politicus (in bonam partem)

elk economist van vroeger of later tijd dit steeds doet of

gedaan heeft, d. w. z. hij voert zooveel mogelijk logisch zijn

beginselen t. w. in theorie door en schetst ons dan 't resultaat

dat gewonnen zou worden, indien deze beginselen, door

hem voor de eenig ware gehouden, aanvaard werden.

Ook Plato heeft zich dus afgevraagd: Hoe moet, naar

mijn beginselen, een Staat zijn ingericht? Daarmee hield hij

zich bezig, daarmee alleen had hij zich in dit werk bezig

te houden. „Het doet er dan niets toe, zoo zegt hij (Pol.

IX. 592 b), of ze ergens bestaat of bestaan zal" — xkyaq

ravTijg fioviji met de dingen van deze alleen, van den Staat

als idee, daarmee zal hij zich bezighouden, met de andere

geenszins.

Volgens zijn overtuiging bestond deze Staat dus wer-

kelijk in de idee (v ovgavm. De Staat op aarde had zich dus

naar deze idee te verwerkelijken.

Maar ook Plato kende het leven wel, wist, hoe er een

afstand is tusschen idee en haar realiseering. Evenzeer

echter was hij er van overtuigd, hoe 't een goddelijke roe-

ping was, aan deze idee hoe langer hoe meer te beant-

woorden, naar dezen goddelijken maatstaf het leven steeds

meer te vormen „Want niet de mensch is de maatstaf

aller dingen, gelijk er sommige zijn die dit zeggen, maar

God," zoo spreekt de grijze Plato in zijn laatste werk

Nófiot vol diepen ernst en heilige overtuiging.

Toen dan ook omstreeks het jaar 367 de uitnoodiging

van den jongen Dionysios II, ondersteund door 't verzoek

van diens zwager Dion, Plato's vriend, kwam, om naar

Syracuse te komen en daar „die Neuordnung der Staat-

lichen Verhältnisse anzunehmen" heeft Plato niét geweigerd,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1916

Studentenalmanak | 206 Pagina's

Studentenalmanak 1916 - pagina 134

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1916

Studentenalmanak | 206 Pagina's