Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Studentenalmanak 1922 - pagina 70

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Studentenalmanak 1922 - pagina 70

2 minuten leestijd

56 D E O O R S P R O N G DER C U L T U U R

Hierdoor is het niet mogelijk, dat de oudste cultuur in West-

Europa een ontaarde uitloopster zou zijn van de Mesopotamische

o£ Egyptische beschaving. Z e is ouder. En naar alle waar-

schijnlijkheid bestrijkt ze zelf een lange periode. W a n t niet minder

dan 6 phasen worden algemeen in het palaeolithicum onder-

scheiden : het Chelléen, het Acheuléen, het Moustéiien, het

Aurignacien, het Solutréen en het Magdalénien: namen, ontleend

aan de eerste vindplaatsen. Het scherpzinnig vernuft van Fran-

sche vorschers, die tot 12 phasen zijn gekomen, wordt noch in

Engeland, noch in Duitschland gevolgd en ook een Fransch prae-

historicus als Jacques de Morgan overschrijdt de genoemde zes

niet. Hoe komt men aan die chronologische perioden-opvolging ?

Zooals gezegd is, valt het palaeolithicum in de diluviaal-periode,

met haar 3 of 4 giaciaal-tijden en haar 2 of 3 inter-glaciaal-toe-

standen. Verreweg de meeste praehistorici stellen de opkomst

van het palaeolithicum in het 3de interglaciaal, d.i. tusschen de

3e en 4e ijstijd. (Marcelhn Boule, die maar van 3 ijstijden spreekt,

stelt het begin van het palaeolithicum in zijn laatste inter-glaciaal,

d.i. dus tusschen zijn 2en en 3en ijstijd.)

Het Chelléen en het Acheuléen vallen dan in de warme periode

tusschen de 2 laatste ijstijden. Een aparte flora en fauna ver-

gezelt de cultuurobjecten en de fossiele menschenresten: zilver-

populier, hazelnoot, esch, vijgeboom, laurierboom; oerolifant,

rhinoceros, nijlpaard. Apen komen dan voor in Zuid-Frankrijk

en Spanje. Het typische werktuig is dan de vuistwig, die in het

Acheuléen bevalliger en fijner bewerkt is dan in het voorafgaande

Chelléen. Het instrument, dat een peervorm heeft, past met zijn

dik ondereind in de holte van de hand, en met de punt, die in de

opeenvolgende perioden hoe langer hoe scherper wordt, verricht

men snijdende, stootende, krassende, borende, den arbeid op hout,

dierhuid en steen.

Het Moustérien, dat volgt, valt in een kouder klimaat. Dan is

het met de Zuidelijke woudenweelde gedaan. Noordelijke boomen

doen in het voorheen warme gebied hun entree: beuken, eiken,

dan sparren en dennen. De laatste ijstijd is in aantocht. Straks

verdwijnen de bosschen en komt de toendra-phase met dwerg-

berk, roosmarijn-heide, watermos, wolweide als flora. De lemming,

de ijsvos, het rendier, het muskusos, kortom de dierenwereld der

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1922

Studentenalmanak | 146 Pagina's

Studentenalmanak 1922 - pagina 70

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1922

Studentenalmanak | 146 Pagina's