Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Studentenalmanak 1922 - pagina 87

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Studentenalmanak 1922 - pagina 87

2 minuten leestijd

HET EENZAME 73

de menschen weer zocht. Nu stond hij stil en zag ik midden in

zijn gezicht. Ach, het lag open als het erf van een afgebrand

huis, dat open ligt naar den hemel en naar alle kanten. En ieder

mensch kan er brutaal overloopen, waar alle intieme dingen nu

ontdekt liggen. Over het open puin der kamers de loerende

menschen, die dwingen tot gloeiende schaamte. Vol wonden was

zijn gezicht, bloedende wonden, waar de oogen waren en waar de

mond was, en alles. En hij bedekte het niet met de handen, ach,

deze mensch! Maar ik zag dat hij zich hief naar den stoet, er bij

ging loopen om de mildheid van iets gemeenzaams te drinken.

Maar o, deze menschen! Al anderen had ik gezien die geheel

vervlakten en in de leegheid waren opgenomen, maar met deze

ging het toch niet. Als een droppel water op eene gloeiende plaat

zoo sprong hij en danste op de vlakte der stoet en waar hij haar

raakte werd hij sissend weggestooten. En ik was beangst, of hij

tenslotte toch nog zichzelf zou blijven, deze God gekende, als een

witte vlek in dien grauwen stoet, of, dat hij er af zou springen,

bij dien doodendans, van de gloeiende plaat, of. . . verdampen !

Hij stond nu met den rug naar me toe. Gelukkig. Deze schrijnende

strijd, van smart-doorpriemende nederlaag. Wild-beangst, maar tot-

geen overwinning. Ik zag niet hoe hij verdampte en vervlakte,

maar wist het al. Wist al hoe hij nu de wonden van zijn gelaat

bedekte, en heel zijn wezen sloot. Toen trok langzaam weg de

hobbelige stoet.

W a t was dat, dat vreemde, vreemde gebeuren, dat heele

vreemde, dat verre?

De botsing (Impressie naar Breitnec)

Ten Oosten van het Centraal Station, is de buurt waar de

vele handelskaden zijn, met hun hobbelige keien, en hun sleepers-

karren met ruwe sleepers en groote sterke paarden. Daar had

ik het eens gezien.

Het was op een gewonen dag, zooals er zoo vele zijn, dat alles

dood is, zonder expressie en zonder vorm. En dan opeens het

lawaaiige geratel van een komende sleeperskar en in dat lawaai

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1922

Studentenalmanak | 146 Pagina's

Studentenalmanak 1922 - pagina 87

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1922

Studentenalmanak | 146 Pagina's