Studentenalmanak 1922 - pagina 88
74 HET EENZAME
de kop, de paardekop. Dat was toen het eenige echte dien ganschen
dag. Men zou kunnen zeggen dat er niets overbodigs was aan
dien kop; ook niet het halster, of het gebit. Zelfs kon dat
onmogelijk gemist worden. En eigenlijk hoorde de man op den
bok er ook bij. In zijn blauwe kiel zat hij ineen gedoken. En
dan misschien ook de kar en het paardelijf, tot het schoone geheel.
Maar daaromheen was dan verder alles, de huizen, de menschen
en alle dingen. En zij bewogen zich daardoor in vreugdige waar
heid; zooals een held of een koning, op hem alleen let men in
de menigte der starende toeschouwers. De menschen en dingen,
ze waren afgevallen als dorre blaren op den vuilen weg.
En was het werkelijk waar? die paardekop en die ineengedoken
huiverige man? Maar waarom schaamden zij zich dan niet? En
waarom keken alle menschen niet. Waarom keken ze niet uit de
ramen der huizen, of bleven op straat staan, zij met hun spanning
looze gezichten die als vijgeblaren voor hun wezen hangen. Zagen
ze niet het volle dat onder hen was? Maar een oogenblik zou
het hen toch mee trekken, ook in de eenzaamheid, in het meeleven.
In den mistigen schemer waren de gele lantaarns ontstoken.
Rondom één stond een groepje mannen. Stompige brokken ge
bolsterd in blauwe kiel en pilo broek. Zij staan al in het volle
lawaai van de kar die komt aanratelen, zwijgend. Even voor de
lantaarn ligt een groote steen die op den hoek den trottoirrand
moet beschutten. Daar botst met geweld de kar tegenaan. In
eens een krakend lawaai en trappelende paardepooten. En dan
de omgeving ! Een sensatie, een schrik die door golft en tot eenige
meters in den omtrek menschen en dingen beroert. En nu ziet
men den paardekop in het midden; zoo schoon. Naar boven
getrokken door de strakke leidsels van den verschrikten voerman.
De bek met scherpe, vreerade uitdrukking en half weggetrokken
door het gebit. En de neusvleugels ! — Wild en wijdgesperd schijnen
die wel den geheelen kop te bedekken nu, die vreemd open en
snuivend in de lucht staan. De lantaarnpaal met zijn angstig
licht staat niet meer stijf en stijl, maar bewogen, nu vragend
verwonderd, is even meebetrokken in de omgolvende schrik, de
evene schrik van het vreemde gebeuren. En zijn gele onzekere
licht beschijnt de mannen er omheen, hoe die plotseling onbe
weeglijk staan, in expressieve houding; angstig verstard. Hun
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1922
Studentenalmanak | 146 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1922
Studentenalmanak | 146 Pagina's