Studentenalmanak 1929 - pagina 160
144 MOEDER
Alles is stil geworden. De bereisde man zwijgt verlegen.
Hij ziet hulpeloos rond.
Er is veel medelijden. Maar niemand denkt; „Hoe konden
we deze ellende vergeten."
4.
Wanneer God komt, is er niemand meer op iden weg. Het
is nacht. Maar een schoon licht brandt in het duister. En
met 'n groot gebaar van liefde buigt Hij zich over de ellende
heen;
„Kind. Waarom zijt ge vooruitgegaan?"
Een moede stem antwoordt; „Gij hebt mij zoveel in dit
leven te doen gegeven,"
„Maar moest ge voor alles niet bij Mij zijn?"
Er is nog 'n poging om zich te verweren; „Ik moest het
toch doen." En; „Gij moest mij toch werkende vinden."
„Ik moest u gelovende vinden."
'n Hand zoekt den Ander; „Help mij, Vader, opdat ik
weer staan kan,"
5,
De weg is hier moeilik. Er zijn zeer velen gestruikeld.
Maar een vrouw gaat daarover en helpt. Haar hart klopt
sterk van liefde. Daarom kimnen de handen zich zo ont-
fermen. Kunnen de ogen in ieder die ze ontmoeten zien
'n kind van den Groten Vader der mensen. Haar ziel her-
kent in iedere ziel zichzelf. De handen worden zeer teder.
En 'n groot licht glanst in de ogen.
Er is een meisje, idat opgericht wordt.
En een stem dankt;
,(Moeder."
de W.
(§^5:^*5^
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1929
Studentenalmanak | 218 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1929
Studentenalmanak | 218 Pagina's