Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Studentenalmanak 1929 - pagina 136

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Studentenalmanak 1929 - pagina 136

2 minuten leestijd

120 O V E R CHRISTELIJKE P O Ë Z I E

dagen speelde.^) Ook weten we, hoe in den bloeitijd van

Israël de religie zich grootendeels openbaarde in de kunst:

bouwkunst, muziek en zang. Eigenlijk was de toestand

echter toen en in de Middeleeuwen zoo, dat de kunst geheel

in dienst der religie stond en bijgevolg haar vrije ontwik-

keling niet mogelijk was. Het was slechts een primitief

stadium, zooals Dr, Kuyper schreef, „een lagere trap van

menschelijke ontwikkeling, waarin kunststijl en stijl van

aanbidding samenvielen," ^) Bij voortgaande ontwikkeling

en het zich dieper bewust worden der menschheid van kunst

en religie, moest men wel in gaan zien, dat beide tot een

geheel eigen sfeer behooren. J a zelfs is Kuypers slotcon-

clusie, dat het Calvinisme als religie geen eigen kunststijl

kan en mag ontwikkelen, want dat dit een terugzinken zou

beteekenen naar een lager standpunt, naar een primitiever

stadium. En wat hier van kunst in het algemeen gezegd is,

geldt natuurlijk ook van de poëzie. De Christelijke religie

kan niet tot taak hebben een eigen poëzie voort te brengen.

Dit houdt echter geen loochening in van het verband, dat

er altijd zal bestaan tusschen religieus beginsel en poëzie.

Het zou zelfs zijn „de kunst verlagen en de kunst onder-

schatten, zoo ge de vertakkingen, waarin de kunststam zich

splitst, u buiten verband denkt met den wortel, dien alle

menschelijk leven bezit in God,"')

Om evenwel verband te zien, dienen we eerst de twee

zaken op te merken, waartusschen dat verband bestaat.

Lezen we nu een gedicht, en kennen we uit anderen bron

den dichter als iemand van Christelijke levensbeginselen,

dan is het mogelijk tusschen beide een zeker verband te

leggen, of althans te vermoeden; echter hebben we daarmee

tevens het terrein der poëzie verlaten. Maar dan kunnen

we ook een duidelijke beteekenis toekennen aan den term

*) Uit deze nauwe samenhang in de Middeleeuwen van kunst en

religie is natuurlijk niet af te leiden, dat de kunst, i.e. de poëzie niet

anders dan uit religieuzen oorsprong ontstaan zou zijn. Men zie b,iv,

wat Poelhekke hierover schrijft in zijn Lyriek,

') Koiyper, Het Calvinisme, 2e dr., Kampen, p. 133.

') Het Calvinisme p. 136.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1929

Studentenalmanak | 218 Pagina's

Studentenalmanak 1929 - pagina 136

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1929

Studentenalmanak | 218 Pagina's