Studentenalmanak 1938 - pagina 173
bezien, om de bewegingen, die daarin plaats hebben, na te speuren.
Als wetenschap is dan de aesthetica die bezigheid van den denken-
den mensch, die de wereld van het schoone uitwendig gadeslaat en
nazoekt; en bepaalt welke plaats in ons denken, die wereld van het
schoone moet hmemen.
We moeten de wetenschap van het schoone dus wel onderschei-
den van de actie van het schoon zelf. Die actie is impulsief; aan
haar kan noch mag de wetenschap raken. De actie blijft een myste-
rie: om haar te verstaan moet men er rechtstreeks mee in aanra-
king komen. Maar aesthetica is ook niet kunsttheorie, d.i. een
systeem van gegevens, dat bepaalt hoe men in een speciale kunst
of in een bepaald genre moet te werk gaan. Aesthetica is „de
wetenschap, die het verschijnsel van het schoone zich heeft in te
denken en een plaats te geven; en de be teekenis van het schoone
voor het menschelijk leven doet verstaan" (4).
Bij de beantwoording van de vraag: waar ligt het schoon? wijst
K. af het objectivistisch realisme, alsof het schoon in de physische
verschijning als zoodanig: boek, letters, noten, personen, zou zijn;
ook het subjectivistisch idealisme, dat op voetspoor van Fichte
zegt: er is niets buiten ons; de geheele wereld — ook het schoone —
is product onzer gedachten. K. zelf zegt: „het schoone is een ideale
macht, die boven ons èn boven het instrument staat" (8).
Gaat men uit van de stelling, dat God de volmaakt schoone is, en
dat het aardsche schoon zich slechts door Hem vertoont in geheel
de schepping, dan volgt daaruit — in tegenstelling met het pan-
theïsme — dat het schoone toepasselijk is zoowel op het geestelijke
als op het zinnelijke. Dat is dus een standpunt, dat zich keert tegen
het ascetisme, dat in Doopersche kringen zich openbaart. En dat
ook nog in Calvinistischen kring — geheel ten onrechte — vaak
voorkomt (9).
In dit verband wordt besproken de verhouding van natuurschoon
tot kunstschoon. Het kunstschoon, zegt K., kan dan alleen in het
creatuur bestaan, als de Goddelijke heerlijkheid in het creatuur in-
straalt. Dat cachet van het schoone draagt elk wezen, zoowel in- als
uitwendig. In het natuurschoon echter is dat zoo niet. E r is in de
natuur, in de schepping wel iets boeiends, maar het natuurschoon
is toch „gebroken". Von Hartman schrijft, dat er twee verschillende
werelden zijn, die van het kunstschoon en van het natuurschoon, en
dat het kunstschoon het hoogere is. Wil men nu hun onderlinge
verhouding bepalen buiten het geloof, d. i. ook buiten zonde-erken-
ning om, dan moet men tot de conclusie komen, dat de mensch,
die het kunstschoon schept, hooger is dan God, Die het natuur-
schoon schiep. Neen, zegt K., we moeten geloovig het volgende
aanvaarden:
a. toen God de wereld geschapen had, was deze absoluut schoon.
b. door de zonde kwam er verstoring, een vloek, waardoor de
schoonheid dezer wereld „betrübt", als met een waas omgeven is.
165
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1938
Studentenalmanak | 226 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1938
Studentenalmanak | 226 Pagina's